'S OCHTENDS SLIM, 'S MIDDAGS KLEUTER

Hij heeft het kleinste stoeltje van groep drie en stempelt braaf de letters `l', `a' en `m' bij het bijbehorende plaatje. Laurens is in augustus vijf geworden. Zijn ouders herkenden bij hem dezelfde `symptomen' van hoogbegaafdheid als bij zijn vier jaar oudere broer Anton. Bij Anton werd zijn hoogbegaafdheid pas ontdekt na een aantal moeilijke jaren. Daarom wilden ze er nu op tijd bij zijn. Halverwege vorig jaar ging Laurens over van groep één naar groep twee. De school kwam met een creatieve oplossing om hem zowel te laten leren als te laten spelen. De ochtenden leert Laurens lezen, schrijven en rekenen in groep drie, de middagen kleutert hij in groep twee.

Wie `hoogbegaafd' zegt, denkt veelal aan kinderen die al op hun vierde kunnen lezen en schrijven, en aan streberige ouders die hun kind zonodig een klas willen laten overslaan. Het zijn de bekende vooroordelen waar dr. Willy Peters, ontwikkelingspsycholoog verbonden aan het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek van de Katholieke Universiteit Nijmegen dagelijks tegenaan loopt. ``Er is een ongelooflijk gebrek aan kennis over deze materie. Hoogbegaafden zitten niet alleen in het Gooi, maar ook in sociaal lagere milieus. Zij presteren soms juist onder de maat omdat ze zich vervelen in de klas.''

Veel hoogbegaafde kinderen voelen zich op school ongelukkig. Ze gaan 's avonds huilend naar bed, hebben buikpijn, zijn de deur 's morgens niet uit te krijgen. Karin van Teylingen, de moeder van Laurens en Anton, kan erover meepraten. ``Anton was opstandig, agressief, klierde, schopte. Elke dag was een nieuw gevecht om hem naar school te krijgen, hij zette echt zijn hielen in het zand. Ik werd er radeloos van. Toen het ook op school begon te escaleren, hebben we de hulp ingeroepen van een orthopedagoog. Die kwam tot de conclusie dat Anton hoogbegaafd was.'' Het afgelopen jaar rond de Kerst vertoonde Laurens vergelijkbaar gedrag. ``Toen ik hem op een dag letterlijk over de grond sleepte, dacht ik ineens, `dit is precies zoals met Anton'.'' Van Teylingen vroeg op school of Laurens met een clubje oudste kleuters mee over mocht naar groep twee. De school, de Christelijke Basisschool de Wijngaard in Doorn, stemde daarmee in. Adjunct-directeur en intern begeleider Harja van de Scheur: ``Wij zagen dat Laurens weinig initiatief toonde en heel afhankelijk gedrag vertoonde. Omdat we de gezinssituatie kennen vonden we het een goed idee.''

Dit jaar heeft de school creatief voortgeborduurd op deze versnelling door Laurens in groep drie èn in groep twee te laten meedraaien. Een weinig voorkomende constructie, waar de school nog geen ervaring mee heeft. ``Het is puur op onze onderwijservaring gestoeld'', zegt Van de Scheur. Ook Pharos, de landelijke vereniging van ouders van hoogbegaafde kinderen, is er niet echt mee bekend. ``Het lijkt mij een effectieve oplossing'', reageert voorlichter Frans van het Schip. ``Het is echt maatwerk voor het kind en dat is ideaal.'' Willy Peters ziet de gekozen oplossing als een mogelijkheid. ``Er is geen algemene waarheid, het blijft voor ieder kind aftasten. Wat mij hier aanspreekt is dat de school samen met de ouders tot een oplossing is gekomen.'' Toch ziet hij mogelijke valkuilen: ``Als het kind het gevoel heeft dat hij 's middags wordt teruggezet, werkt het niet.'' Ook kunnen kinderen, zo zegt hij, negatief reageren als zij tussen twee groepen in hangen.

``Nee, nu krijgt hij te veel aandacht'', zegt docente Joyce Oost-Lautoe van groep drie als Laurens niet de gemeenschappelijke letters in de woorden `vat' en `lat' kan noemen. ``Maar hij is koppie-koppie hoor'', zegt ze, terwijl ze hem een aai over zijn bol geeft. Laurens is een rustig, klein jongetje dat met grote bruine ogen de wereld inkijkt. Zijn klasgenootjes in groep drie moederen een beetje over hem. Sebastiaan (6) legt hem uit wat de bedoeling is van het leesprogramma op de computer. ``Snap je het?'' vraagt hij, terwijl hij zijn hand op de schouder van Laurens legt. Die knikt en begint.

Na de middag stromen de kleuters uit groep twee binnen. Ook Laurens gaat op zijn stoeltje zitten voor het kringgesprek. Veel vingers gaan omhoog bij de vraag wat ze in de vakantie hebben gedaan. Laurens steekt zijn vinger niet op. Hij komt aan de beurt als er een mand vol speelgoed rondgaat, waar hij iets uit mag zoeken om er wat over te vertellen. ``Een blok, daar kun je een huis mee bouwen.'' Na het kringgesprek mogen de kinderen vrij spelen. Laurens duikt met een vriendje op de treinbaan, waar hij fanatiek de wagons overheen laat scheuren. Groep twee vindt hij het leukste, zegt Laurens als hij na de schooldag thuis de bank als trampoline gebruikt. ``Lekker spelen.'' Zijn moeder: ``Maar de groep van juf Joyce is toch ook heel leuk?'' Laurens: ``Jaha. Mag ik nou tv kijken?''

In de schoolpraktijk stuit Peters op verschillende oplossingen om begaafde kinderen extra stimulans te geven. ``Vaak is dat een klas over laten slaan, maar er zijn ook extra cursussen zoals Spaans of een computerles.'' Op dit punt ontbreekt wetenschappelijk onderzoek, eenvoudigweg omdat daarvoor geen geld beschikbaar wordt gesteld. Het onderwerp is jarenlang genegeerd en nu de aandacht toeneemt blijven we steken op het welles-nietes-niveau van verschillende meningen, zonder gefundeerde onderbouwing. Dat vind ik zorgelijk.''

Welke oplossing ook voor het begaafde kind wordt gekozen, zegt Peters, zij staat en valt met de inzet en flexibiliteit van de docent. ``Voor een doorsnee leerkracht zijn de filosofische vragen waar hoogbegaafde kinderen mee komen vaak hoog gegrepen. ``Ik heb eens een gesprek gehad met een elfjarige jongen die twijfelde aan het bestaan. Hij dacht dat alles wat hij meemaakte een soort computerspel was. Toen vertelde ik hem over de filosoof Descartes die in zijn twijfel aan het bestaan tot zijn uitspraak kwam: `Ik denk, dus besta ik'. Voor die jongen was dat een eye-opener, zijn vragen hadden wel degelijk zin. Nog steeds verbaas ik mij erover hoe belangrijk kennis voor deze kinderen is. Ik gaf de ouders van een jongen die duidelijk achterbleef eens het advies hem op school extra rekenwerk te laten maken, van een hoger niveau. Al snel bloeide hij op en thuis vertelde hij enthousiast: `We hebben vandaag gerekend'.''

Laurens is overigens niet getest op hoogbegaafdheid. De school en de ouders achtten dit niet noodzakelijk. Peters onderschrijft dit. ``Een vijfjarige is sowieso nog erg jong om te onderzoeken. Bovendien, wat schiet je op met het etiketje hoogbegaafd?'' De oplossing die De Wijngaard heeft gekozen doet Laurens goed, zeggen zowel de school als de moeder. ``Hij gaat weer graag naar school, is veel opener geworden en neemt nu ook het voortouw bij het spelen.'' Ook neemt hij meer op, vindt zijn moeder. ``Het programma in groep drie is zo ingedeeld dat alle uitleg over lezen en schrijven 's ochtends gebeurt, maar uitleg over rekenen zit nu nog gedeeltelijk in het middagprogramma. Als Laurens dan een rekenfout maakt, omdat hij die uitleg gemist heeft, legt de juf het hem even snel uit en dan begrijpt hij het. Hij is thuis rustiger geworden.''

Om de vinger aan de pols te houden hebben De Wijngaard en de ouders iedere zes weken overleg. Het streven is dat Laurens volgend jaar overgaat naar groep vier, maar of hij dit hele jaar in twee groepen blijft staat nog open. ``Voor ons is het 't belangrijkste dat de school erachter staat'', besluit Van Teylingen. ``De twee juffen die hem in de klas hebben zijn allebei heel enthousiast. `Ik ben benieuwd wat Laurens daarvan vindt', hoor ik ze wel eens zeggen. Dat vind ik geweldig positief. Een docent die benieuwd is hoe mijn kind het doet!''