Rome versus Byzantium

Tien jaar na de val van het socialisme in Oost-Europa en acht jaar na de desintegratie van de Sovjet-Unie loopt er een `nieuwe' grens door Europa – een grens die in feite al vele eeuwen bestaat en die, na een halve eeuw verdoezeld te zijn geweest, opeens weer te voorschijn is gekomen.

Waar gaat het de afgelopen tien jaar relatief goed met de pogingen in de landen van het voormalige `reëel bestaande socialisme' een fatsoenlijke democratie en een vrije markteconomie te vestigen? In de Baltische landen, in Polen, Hongarije, Tsjechië en (na veel aarzeling) Slowakije, in Slovenië en in mindere mate in Kroatië. Grof gezegd kennen deze ex-socialistische landen een functionerende parlementaire democratie, een functionerend meerpartijenstelsel, vrije verkiezingen, vrije media, onafhankelijke rechtspraak, een burgerlijke samenleving in opbouw, een vrije markt en een open economie.

En waar verloopt het proces van de politieke, economische en sociale hervormingen relatief moeizaam en problematisch? In Rusland en Wit-Rusland, in de Oekraïne en Moldavië, in Roemenië, in Bulgarije, in Joegoslavië, Macedonië en Albanië. Grof gezegd hebben deze landen een haperende democratie, waarin presidenten vaak meer te zeggen hebben dan parlementen, een haperend meerpartijenstelsel waarin extremistische partijen een prominente rol spelen en onafhankelijke media met problemen kampen, een grote zwarte economie die in sommige landen sterk is gecriminaliseerd, corruptie en grote tekortkomingen op het gebied van rechtspraak, openbaar bestuur en decentralisatie. In dat deel van Oost-Europa spelen de demonen van het verleden een veel grotere rol dan bij de succesvolle hervormers.

Deze tweedeling is grof. Niets is geheel zwart en niets geheel wit, want in Roemenië en Bulgarije is de presidentiële macht veel beperkter dan in Rusland, Wit-Rusland, de Oekraïne (of, aan de andere kant van de scheidslijn, Kroatië). In Macedonië is de politiek en de economie opener en de samenleving democratischer dan in Joegoslavië. Het afscheid van het communisme in de zin van een autoritair systeem heeft de Roemenen onder Ion Iliescu veel méér parten gespeeld dan onder de huidige president Constantinescu. Aan de andere kant van de scheidslijn hebben de Slowaken evenveel moeite gehad zich van een autoritaire heerser los te maken als de Roemenen en in Kroatië zijn de media minder vrij dan de bedoeling is. Overal is het afscheid van het communisme pijnlijk en moeizaam. Het was na 1945 makkelijk van een aquarium vissoep te maken, heeft Lech Walesa gezegd, maar het is heel moeilijk van vissoep weer een aquarium te maken. En dat geldt voor álle landen in het Oosten.

Niettemin: het is na tien jaar mogelijk in het vroegere `Oostblok' twee blokken te onderscheiden, dat van de meer en dat van de minder succesvolle hervormers, het blok van de overtuigden en dat van de aarzelaars.

De landen van deze tweede groep hebben, gezien vanuit historisch en cultureel standpunt, één ding gemeen: het orthodoxe geloof, hun eeuwenoude keus voor Byzantium, voor het Oosten, althans: niet voor het Westen.

De landen van de eerste groep hebben ook iets met elkaar gemeen: hun eeuwenoude keus voor Rome, voor het Westen.

Een nieuwe, oude grens loopt door Europa. Rome versus Byzantium: het is een grens die al bijna duizend jaar bestaat. Maar tijdens de dictatuur van het socialisme werd die grens verdoezeld, zij verdween onder de verstikkende deken van de Sovjet-dictatuur. Nu, tien jaar nadat die deken werd weggenomen, is die grens er weer.

Het gaat daarbij niet zozeer om een zuiver religieuze oriëntering: de orthodoxie in deze zin is niet alleen godsdienst, ze is ook mentaliteit. Ze is bepalend voor de verhouding tussen overheid en burger en voor beider oriëntering, beider zelfbeeld. Eeuwenlang hebben de kerken van Byzantium en Rome zich na hun breuk in 1054 in een andere richting ontwikkeld. In het orthodoxe Oosten werd geen scheiding aangebracht tussen kerk en staat. De kerk was dienaar en instrument van de macht en speelde duizend jaar lang nauwelijks een maatschappelijke rol. De orthodoxe kerk was als haar iconen: verstild, vastgevroren in een eeuwenoude canon van strikte, onveranderlijke regels en voorschriften, onveranderlijk, buiten en niet ìn de samenleving, boven en niet tussen de gelovigen, kritiekloos en vaak zelfs serviel jegens de macht – een rol die alle orthodoxe kerken tot en met de val van het socialisme hebben gespeeld, zelfs in de tijd van de vervolgingen door het stalinisme. Geen correctie van de macht, geen leidende rol in de samenleving.

In het Westen, op Rome georiënteerd, kwam het wèl tot een scheiding van kerk en staat en een onderscheid tussen wereldlijke en geestelijke macht. Daar speelde de kerk een overduidelijke maatschappelijke rol: de kerk stond midden in de samenleving. Niet altijd in positieve zin (zie de Inquisitie, de verkettering van wetenschappers als Galilei, de rol van de kerk bij de jodenvervolging of de godsdienstoorlogen), maar hoe dan ook actief. De kerken van het Westen, de katholieke en later ook de protestantse, lieten zich volop gelden in de samenleving, soms voor, soms tegen machthebbers, soms in progressieve, soms in reactionaire zin, ze solidariseerden zich met vervolgden en armen. Ze déden iets. De orthodoxe kerken niet.

De uiteenlopende rol van de kerken in Oost en West is dit millennium bepalend geweest voor de loop van de beschaving in de twee helften van Europa. In het Westen kwam het tot de Renaissance, het openbreken van de Middeleeuwen, niet alleen in de kunst, ook in de maatschappelijke opvattingen over de inrichting van de samenleving, de rol van vorst, adel, geestelijkheid en burgerij: het humanisme brak door. In het Westen kwam het tot Reformatie en tot de Verlichting, met haar veranderende opvattingen over individualisme en machtsdeling, de rechten van de mens, volkssoevereiniteit, de rechten en plichten van overheid en burger, democratie. Aan het Oosten, de wereld van de orthodoxie, gingen Renaissance, humanisme, Reformatie en Verlichting voorbij.

De grens tussen die twee werelden lag tot onze eeuw waar hij nu weer ligt. En sommige landen die door de Sovjet-overheersing in Oost-Europa terechtkwamen (en daar naar onze begrippen nog steeds liggen), lagen al die eeuwen in `het Westen'. In de eerste helft van dit millennium kozen de Baltische landen (al dan niet onder invloed van Denen, Zweden, Duitsers en Polen) voor Rome. Dat deden ook Polen, Bohemen en Hongarije (en Kroatië, Slowakije en Transsylvanië die in Hongaarse hand waren) en Slovenië (dat Habsburgs was). Al deze naties werden in de eeuwen na de breuk tussen Rome en Byzantium uitdrukkelijk tot het Westen gerekend, ze beschouwden zichzelf als Westers en kéken ook naar het Westen. Al deze naties maakten de gotiek, de Renaissance, het humanisme en de Verlichting mee: de Westerse beschaving. In het orthodoxe Oosten daarentegen bleven de hervormingen haperen: de absolute macht van de vorst bleef onaangetast, in Rusland bleef lijfeigenschap tot in de vorige eeuw bestaan, in Roemenië bestond tot het eind van die eeuw zelfs de slavernij nog.

Deze ontwikkeling – Rome of Byzantium? – heeft consequenties die tot op de dag van vandaag te zien zijn en die de basis vormen voor de vraag hoe snel wordt hervormd en hoe haperend de afgelopen tien jaar is hervormd. In de landen die na 1054 voor Rome kozen is, in veel sterkere mate dan in de landen die voor Byzantium kozen, sprake van een zich relatief snel ontwikkelende burgerlijke samenleving, er bestaat een duidelijker besef wat democratie en pluriformiteit voorstellen, welke de rol van de staat moet zijn en welke de rol van de burger. Daar bestaat een politieke cultuur, een cultureel erfgoed dat relatief onbeschadigd de beperkingen van het socialisme heeft overleefd, een erfgoed dat zich beroept op principes van humanisme en Verlichting, op de verantwoordelijkheid van het individu en de beperking van de rol van staat en overheid, op de identificatie van het individu als een verantwoordelijk lid van een gemeenschap, een staat.

Bij de achterblijvers, de landen van de orthodoxie, ontbreekt dat culturele erfgoed, die politieke cultuur. Daar vindt men dan ook de presidenten die alles te zeggen hebben, de partijen die xenofobie preken, de rechtspraak die weigert antisemitisme te bestraffen, racisme dat tot oorlog leidt, criminelen die de economie beheersen, de moeizame strijd van kleine verlichte elites tegen een breed verzet tegen democratisering, decentralisatie, tolerantie en maatschappelijk fatsoen. De nostalgie naar het communistische verleden. De onwetendheid van wat democratie precies inhoudt. Een oude bedelares die door de eigenaar een café in Boekarest wordt uitgestuurd als ze de klanten lastig valt kan kwaad roepen: ,,Maar we hebben nu toch democratie?'' Het denkbeeld dat democratie gelijk staat aan `alles mag' – niets meer, niets minder – bestaat aan gene zijde van de nieuwe grens in Europa, de Byzantijnse kant. Een bedelares die in Kraków, Bratislava of Boedapest wordt weggestuurd zal iets anders roepen.

Schrijvend over dit thema – Rome versus Byzantium – wees Andreas Oplatka, Oost-Europaredacteur van de Neue Zürcher Zeitung, in een speciale bijlage in 1994 eens op de profetie waarmee in april 1945, nog vóór de Sovjet-overheersing over Oost-Europa een feit was waaraan niet meer kon worden getornd, de Amerikaanse diplomaat George Kennan voorspelde dat de Sovjet-overheersing van Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije hoe dan ook eindig zou zijn: de Sovjet-macht, zo schreef Kennan, zou deze landen niet kunnen `verteren' omdat het Sovjet-systeem de volkeren van deze landen, wegens hun historisch-culturele achtergrond, wezensvreemd is. Moskou zou vroeg of laat deze gebieden weer op moeten geven omdat deze volkeren, anders dan de Russen, ,,ergens in hun geschiedenis kennis hebben gemaakt met de recht en orde bepalende aanraking van Rome''.

Vijfenveertig jaar later kreeg Kennan gelijk. Eigenlijk eerder al, want tot opstanden tegen het Sovjet-systeem kwam het in dat deel van het Oosten dat hij tot het Westen rekende: in de DDR in 1953, Hongarije in 1956, Tsjechoslowakije in 1968 en Polen vanaf 1970. En Kennan krijgt nog steeds gelijk, elke dag: dwars door Europa loopt weer die grens – die grens tussen landen die relatief snel `Westers' worden en landen die daarvoor nog zeker een generatie nodig zullen hebben. Zoals Robert Musil zei: ,,In de zoëven begonnen laatste toekomst zijn al de komende oude tijden te zien.''