Ministerie eist vernieuwing van orkesten

Het ministerie van OCW verwacht van de Nederlandse symfonieorkesten dat zij ten opzichte van componisten en publiek een vernieuwend beleid voeren. Daarbij zal de overheid niet schromen een `actief en gedecideerd beleid te voeren om de orkestcultuur bij de tijd te brengen en te houden'.

M. Asscher, de directeur Kunsten van het ministerie van OCW, zei dat vandaag op een bijeenkomst in het Walter Maashuis in Bilthoven over de positie van de hedendaagse muziek. OCW wil dat de symfonieorkesten veel flexibeler omgaan met conventies en tradities. Dat streven zou moeten blijken uit de beleidsplannen die de orkesten binnenkort moeten indienen voor het verkrijgen van subsidies in de periode 2001-2004.

De vernieuwing van het orkestrepertoire en een meer eigentijdse ontwikkeling van het orkestleven moeten voorkomen dat de symfonische muziek na het uitsterven van de `grijze golf van bejaarde baby-boomers' een marginaal cultureel verschijnsel wordt. Voor de helft van de volgende generatie vormt de westerse klassieke muziek geen aangeboren of aangeleerde culturele achtergrond.

Op het ogenblijk zijn volgens het ministerie de meeste van de elf door het rijk met 80 miljoen gulden gesubsidieerde orkesten `goedlopende bedrijven'. Maar om hun functie te behouden zouden ze meer `echte kunstbedrijven' moeten worden in plaats van de `marketinggerichte muziekondernemingen' die de orkesten nu soms lijken.

De orkesten zouden een wisselwerking tot stand moeten brengen tussen uitvoerenden, het geïnteresseerde publiek en de componisten, die nu een bestaan leiden in de marge van de traditionele muziekprogrammering. Daarnaast moeten ze komen tot een `inventief benutten van multidisciplinaire en andere vernieuwende vormen van presentatie'. Ook dienen orkesten samen te werken met conservatoria, muziekscholen en de amateuristische muziekbeoefening. Via musea en theaters kan ook een nieuw publiek worden bereikt.

Asscher hekelde de eenvormigheid van de orkesten: ,,De musici zwijgend in het zwart op het verhoogde podium, het publiek grijs en stil in de zaal. Na afloop een beschaafd applaus en dan ordinair rennen naar de garderobe.'' Dirigenten moeten zich volgens hem kunstzinnig en maatschappelijk bevlogener opstellen, orkestdirecteuren moeten `als cultureel ondernemers bij uitstek allerlei verbindingen leggen naar overheid en bedrijfsleven'.

Met de vernieuwing van het repertoire, waartoe de vorige staatssecretaris van OCW, Aad Nuis, ondermeer de later weer ingetrokken 7-procentsnorm instelde, gaat het de goede kant op. Volgens Asscher is nu 43 procent van de gespeelde orkestmuziek van componisten die na 1930 zijn overleden of nog leven.