Mijn

Het autodek van de boot naar Plymouth staat vol bestofte Landrovers. In het scheepsrestaurant ontstaat al snel een levendige conversatie. ,,Goud'', zegt een man in een rode pull-over. ,,Ga in goud, let op!'' Hij vertelt over zijn Spaanse huis, de afwerking van de badkamers, het gastenverblijf, het zwembad. Een man met uitpuilende blauwe ogen begint over hun huis, ook zo heerlijk. ,,Maar het wordt helaas rijp voor de verkoop'', zegt zijn vrouw. ,,Eerst was het dorp zo leuk simpel, maar het verandert, en dan verliest het bezit zijn charme.''

In Plymouth stormt het. Mijn loodgieterbusje schudt, bladeren vliegen over de weg. Na een paar uur rijden verschijnen er volstrekt onleesbare teksten langs de weg, alsof een kat over de typemachine heeft gelopen.

Ik slaap in het dorp Llangynog. Dit is Zuid-Wales, de onderkant van Engeland, het land van de wanhoopsstakingen uit de jaren '80, ik zie de foto's nog voor me. 's Avonds stroomt de pub vol. Het zijn dezelfde mijnwerkers van toen, nu ouder en dikker. Sommigen boeren wat, anderen zijn nog altijd werkloos.

Ik raak in gesprek met Jack Mortimer en zijn vrouw. Hij is na de mijnsluiting op een booreiland gaan werken, drie maanden per jaar thuis, negen maanden weg. ,,Ik had alleen maar verstand van mijnen, en olie ligt daar het dichtste bij. Dus wat kun je anders?''

De muziek wordt hard gezet, op de televisie verschijnen de teksten, en iedereen zingt mee: `Deed, deedeed, deedeed, deedeed.' De mannen worden dronken, eentje springt op tafel en begint zich uit te kleden, de vrouwen gieren, de mannen hangen aan elkaar.