Landelijk toetsen is verkeerd

In haar column van 16 oktober verdedigt Rita Kohnstamm het voorstel van de Onderwijsraad landelijke reken- en taaltoetsen op twee momenten in de basisschool en eenmaal in de basisvorming verplicht te stellen. Het is een slecht voorstel van de Onderwijsraad, de adviesraad waar Rita Kohnstamm zelf lid van is.

Met slecht doordachte toetsprogramma's kan het slecht aflopen. Jaren geleden, bij de invoering van het National Curriculum in Engeland, leidde het voorgestelde toetsprogramma, een programma dat verdacht veel lijkt op de voorstellen van de Onderwijsraad nu, tot stakingen. Wat bij onze basisvorming vooral bijdroeg aan het mislukken waren de onrealistische toetsverplichtingen.

Bij de invoering van de basisvorming wilde staatssecretaris Netelenbos tegen veel adviezen uit de onderwijswereld in, één toets voor alle leerlingen van de basisvorming. Het was natuurlijk niet realistisch.

Om vast te stellen in welke mate onderwijs succesvol is, moet gemeten worden. Dat meten kan door middel van toetsen. De leraar stelt toetsen samen en neemt deze af. Hij vergelijkt de resultaten van een leerling met die van de rest van de groep en met groepen die hij eerder les gaf. Misschien dat hij en zijn collega's het nuttig achten dat toetsresultaten vergeleken worden met die van andere scholen. Daarvoor kan op dit moment de bekende CITO-toets aan het eind van de basisschool gebruikt worden, een kwestie van vrijwilligheid. Het bijzondere van en de rechtvaardiging voor deze laatste toets is het niet-officiële civiel effect ervan. De toets wordt gebruikt om vast te stellen naar welk schooltype de leerling doorstroomt. Vooral daarom is deze toets populair.

De toetsen die de Onderwijsraad voorstelt hebben geen `civiel effect'. Zij worden verplicht gesteld niet omdat de leraar niet zou toetsen, maar omdat getwijfeld wordt aan het oordeel van de leraar. Men wenst een `objectief' oordeel niet zozeer over wat het kind kan maar wat de school eraan gedaan heeft. Het is de zoveelste bijdrage aan de algemeen verbreide minachting voor het leraarsberoep. Het is vreselijk dat juist de Onderwijsraad met zo'n voorstel komt.

Maar bovendien ligt een fundamentele denkfout ten grondslag aan de ideeën van de Onderwijsraad. De Onderwijsraad vergeet dat de kennis en vaardigheden van een kind slechts voor een deel in het formele onderwijs worden verworven. Zeker in de eerste jaren van de basisschool moet de bijdrage van het formele onderwijs niet overschat worden. Een voorbeeld. Mijn kleindochter Emily kan nu aan het begin van groep 2 lezen en schrijven op het niveau van eind groep 3. Het blijkt een verschijnsel te zijn dat de basisschool de laatste jaren steeds vaker opmerkt. Hoogbegaafdheid? In ieder geval zal Emily straks goed scoren op Onderwijsraad-toetsen ook als ze slecht onderwijs krijgt. Voor zowel de (hoog)begaafde kinderen als de allochtone kinderen met een achterstand geldt: hun resultaten op schooltoetsen worden voor slechts een klein deel bepaald door de kwaliteit van het onderwijs.

Een laatste bezwaar tegen de voorstellen van de Onderwijsraad is dat landelijke toetsing het onderwijs verstart en het de mogelijkheid ontneemt snel te reageren op ontwikkelingen elders in de samenleving.

Rob Knoppert is leraar natuurkunde.