Koel, ijselijk en liefdeloos

Ook de Byzantijnen kenden al de voordelen van recycling. Zo werd voor de bouw van de onderaardse waterreservoirs in Constantinopel oud bouwmateriaal uit de Romeinse tijd gebruikt. Alle zuilen van de grote cisterne ten noorden van het Sultanahmetplein zijn hergebruikte zuilen, die enkele eeuwen tevoren een bovengronds paleis hadden gestut, maar daarna werkeloos langs de straat lagen.

De grote cisterne van Istanbul is bekend als het Yerebatan Sarayi ofwel Verzonken Paleis. De ingang doet denken aan een elektriciteitshuisje: een onooglijk gebouwtje tegen het spectaculaire decor van koepels, minaretten en kiosken dat wordt gevormd door het Topkapi Paleis, de Blauwe Moskee en de Haya Sofia, het mooiste godshuis ter wereld.

Wie het gebouwtje binnengaat, verruilt zijn associatie onmiddellijk voor `zwembad'. Betegelde muren en het donkere gat van een trap die naar beneden voert. Wie de vochtige spektreden heeft overleefd, belandt op een houten steiger aan de rand van een zwart onderaards meer, waaruit talloze pilaren oprijzen, sommige verlicht, de meeste in het schemerdonker. Elk vierspan pilaren draagt een koepelgewelf dat met lange, platte stenen is gemetseld.

Het Verzonken Paleis is gebouwd in opdracht van keizer Justinianus de Grote, die met circusartieste Theodora was getrouwd en ook opdracht heeft gegeven tot de bouw van de Haya Sofia. Het regenwater dat in de grote cisterne werd opgeslagen werd, na de koelende werking van het donker, naar zijn Grote Paleis geleid. Qua omvang overtreft de Yerebatan Sarayi de veertien andere onderaardse waterreservoirs waarmee de koeientong van het oude Istanbul is geperforeerd: 140 bij 70 meter. Bijna een hectare roerloos koud water, kniehoog, doorgeprikt door hergebruikte Corinthische zuilen, 336 in getal, twaalf rijen van 28 zuilen, allemaal exact vier meter van elkaar verwijderd en acht meter hoog.

Deze eindeloze ondergelopen kelder werd op menige historische prent met een roeiboot doorkruist. Maar nu is er de planken stellage, die in allerlei vertakkingen tussen de zuilen doorloopt. Een verlichte wandelpier aangelegd voor de bezoeker, die in de warme Turkse zomer liever door het koele water zou waden. Maar van de gewelven vallen aanhoudend druppels en dat is ook aangenaam.

Aan het eind van de cisterne doet een van de houten pieren een helder verlichte zuil aan. Met die zuil is iets bijzonders, wil het spotlicht zeggen. De voet is geplaatst op een grote steenblok, uitgehouwen als een vrouwenhoofd, met grote, blinde ogen, volle neus, volle lippen en kronkelende haarstrengen. Het hoofd staat ondersteboven: de zuil drukt op kin en schedelbasis. Het is het hoofd van Medusa, de sterfelijke godendochter die slangenharen heeft en wier aanblik doet verstenen.

Even verderop is er nóg een Medusa die een zuil draagt; dit hoofd rust op de rechterwang. Waarom deze curieuze posities? De reden is helaas bekend. Ook de Medusa's zijn van de straat geplukt, waar ze sinds de Romeinse tijd doelloos vertoefden. Omdat het stapeltechnisch zo uitkwam, werd het ene Medusahoofd op zijn kop geplaatst en het andere op zijn wang. Het maakte niets uit: de hoofden stonden immers onder water en in het donker. Nu, na de restauratie uit de jaren tachtig, staat het water een stuk lager, is er sfeerverlichting aangebracht en zijn de arme Medusa's voor iedereen zichtbaar in hun vernederende houding.

De legendevorming over het Verzonken Paleis wil dat wie in de cisterne afdaalde en in de roeiboot stapte een gerede kans liep nooit meer terug te keren. Anderen overleefden de reis naar het einde van de cisterne wel, maar kwamen horror-stricken terug: verstijfd van sprakeloze ontzetting. Kwam dat door Medusa met de slangenharen, wier aanblik doet verstenen? Het zou kunnen, maar ondanks hun pijnlijke positie zijn deze krachtige vrouwen eerder bekoorlijk dan ijselijk.

De dichter Shelley had het scherp gezien toen hij over Medusa noteerde: `Yet it is less the horror than the grace/ Which turns the gazer's spirit into stone.'