Kisten met goud

Voor de Amerikaanse kust haalden bergers vorige week de kanonnen boven water van het schip van de achttiende-eeuwse piraat Blackbeard. Dankzij steeds beter en goedkoper apparatuur is geen scheepswrak meer veilig voor de particuliere schatgravers.

De wetenschappers maken zich grote zorgen.

Dat negen-tot-vijfbaantje was niks voor Phil Masters. Na jaren van eindeloos forensen en van geestdodend kantoorwerk bij een New-Yorkse groothandel in elektrische apparaten sloeg in 1977 de midlife-crisis toe. ,,Ik had een leuke vrouw, een aardig huis in een buitenwijk, een hond, een tuin met een wit hek eromheen'', vertelt Masters. ,,Ik had het gevoel dat ik in de val zat. De avonturier in mij kwam niet aan zijn trekken.''

Al langer had Masters, een fervent amateurhistoricus, ervan gedroomd de zeeën af te schuimen op zoek naar verdwenen dubloenen. ,,Ik zei altijd tegen mijn kinderen: `Wat je ook doet in je leven, doe iets waar je gek op bent','' zegt hij. Hij nam zijn eigen raad ter harte: hij nam ontslag en verhuisde naar Florida, om daar te leren hoe je gezonken schatten opspoort.

Inmiddels heeft Masters, nu 62, shillings geborgen uit de Feversham, een in 1711 voor de kust van Nova Scotia (Canada) gezonken Brits fregat. Met zijn eigen bedrijf Intersal heeft hij een vaartuig gelokaliseerd dat weleens de Queen Anne's Revenge zou kunnen zijn, het vlaggenschip van de gevreesde piraat Blackbeard, in de achttiende eeuw de schrik van de zeevaart. En nu, na twaalf jaar speuren, denkt Masters dat hij eindelijk zijn heilige graal op het spoor is: het Spaanse galjoen El Salvador, dat in 1750 is vergaan voor de kust van North Carolina (VS), geladen met 40.000 kilo cacao en 240.000 zilveren en gouden peso's. Dromend van replica's in beperkte oplage, reizende tentoonstellingen, videodocumentaires en topprijzen op veilingen roept hij vol vuur: ,,Ik wil de El Salvador net zo bekendmaken als de Titanic.''

Er is een stormloop op gezonken schepen gaande. Miljoenen vaartuigen, van prehistorische boomstamkano's tot en met rubber beklede Duitse onderzeeërs, liggen onder de zeespiegel, en de nieuwste onderzoeksapparatuur, duikuitrusting en onderwaterrobots brengen zelfs de diepst gezonken wrakken binnen bereik. Jaar in jaar uit volgen de spectaculaire vondsten elkaar op, van het in 1993 teruggevonden stoomschip Brother Jonathan uit de tijd van de Amerikaanse Burgeroorlog tot de Japanse onderzeeër I-52 uit de Tweede Wereldoorlog, waarvan de lading – tweeduizend kilo goudstaven – nog moet worden geborgen. Nu beginnen Derde-Wereldlanden speurvergunningen te verlenen in ruil voor een aandeel in de buit.

Aan wetenschappelijke zijde maakt men zich echter grote zorgen over de wilde jacht op scheepswrakken, die profiteert van onduidelijke wetgeving. Archeologen klagen dat bergers `diepzeetijdcapsules' van onschatbare waarde ruïneren, en eisen dat de wetgever snel optreedt om het culturele erfgoed van onze planeet te redden.

Het zoekapparatuur is nu goedkoper en krachtiger dan ooit. Bij de meeste operaties in ondiepe wateren bedient men zich van magnetometers, die ijzeren voorwerpen – kanonnen, ankers, schroeven – waarnemen doordat deze het aardmagnetisch veld verstoren. De magnetometer, oorspronkelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld om onderzeeboten op te sporen, is nu zo gevoelig dat je er kleine voorwerpen onder een dikke laag zand mee kunt aanwijzen. Een eenvoudig apparaat kost nu zo'n 16.000 dollar, dat is 10.000 dollar minder dan tien jaar geleden. In diep water wordt dikwijls side-scan sonar gebruikt, een echolood dat een brede strook van de oceaanbodem aftast. De huidige typen kunnen wel 250 vierkante kilometer per dag afzoeken, waarbij een voorwerp ter grootte van een olievat op 4,5 km diepte kan worden waargenomen. Zowel magnetometers als sonar kunnen tegenwoordig gegevens direct aan boord in computers invoeren. Die voorzien de `treffers' van geografische coördinaten, waardoor het tijdrovende, onnauwkeurige plaatsen van boeien boven potentiële doelen niet meer nodig is.

De indrukwekkendste technische hulpmiddelen zijn de op afstand bestuurbare voertuigen (ROV's), die je vroeger bij particuliere bergingsmaatschappijen zelden aantrof. Nu zijn ze betaalbaar voor bemiddelde ondernemingen die het op moeilijk bereikbare scheepswrakken voorzien hebben. ,,De ROV's waarmee wij vroeger werkten, waren allemaal prototypes'', zegt Greg Stemm, operationeel directeur van Odyssey Marine Exploration in Tampa (Florida). ,,Nu worden ze min of meer aan de lopende band gemaakt en hebben ze veel meer mogelijkheden.'' De nieuwste robotvoertuigen kosten weliswaar nog van honderdduizend tot ruim twee miljoen dollar, maar ze zijn veel nauwkeuriger en betrouwbaarder dan hun voorgangers. Vorig najaar heeft een met een camera uitgeruste robot van Odyssey in de Middellandse Zee op negenhonderd meter diepte een 2.500 jaar oud Fenicisch koopvaardijschip gevonden; dat kreeg de codenaam Melkarth, naar de Egyptische god van de zeelui. In 1989 wist een ingenieur uit Ohio met een ROV drie ton goud te bergen uit de Central America, een stoomschip dat in 1857 voor de kust van North Carolina (VS) was vergaan. Dat schip, waar bergers sinds lang op aasden, was zo afgeladen met schatten dat zijn ondergang had bijgedragen tot een flinke paniek in de Amerikaanse bankwereld.

Archiefstukken

Toch zijn ook de allernieuwste technieken afhankelijk van de kwaliteit van de research die erachter steekt. De schatvissers zijn meesters geworden in het opsporen van scheepswrakken aan de hand van archiefstukken. Jack Haskins, een in Florida werkzame berger die uitstekend Spaans beheerst, reist regelmatig naar het Archivo General de Indias in Sevilla om zich te verdiepen in correspondentie van kapiteins en in vrachtbrieven. ,,Spanje was een geweldige bureaucratie'', zegt Haskins, die nu de lotgevallen onderzoekt van een vloot die in 1711 in Cubaanse wateren is vergaan. ,,Ze zetten alles op papier en stuurden het in drievoud naar de koning.''

Masters kon de ligging van de Queen Anne's Revenge bepalen aan de hand van verklaringen uit een rechtszaak tegen piraten uit 1719, waarin overlevenden van Blackbeards bemanning beschreven waar het vaartuig bij Beaufort in North Carolina te vinden was. Hij heeft bovendien onderzocht hoe de zeearm aldaar als gevolg van baggerwerk door de genie van vorm en ligging is veranderd. ,,Ik ben misschien een matige duiker, maar ik ben een hele goeie onderzoeker'', snoeft Masters, die zich liever `maritiem historicus' dan `schatjager' noemt.

Voor bergers is een gouden eeuw aangebroken. Sommige schepen die zij vinden hebben fabelachtige schatten aan boord, zoals La Capitana, een Spaans galjoen dat in 1654 voor de kust van Ecuador aan de grond is gelopen. In 1997 heeft een team onder leiding van Herman Moro, een tuinier uit Arlington in Virginia, duizenden zilveren munten en staven uit het wrak gehaald. De meeste vondsten zijn echter vooral van historische betekenis, zoals de Empress of Asia, een luxueus Brits passagiersschip dat troepen vervoerde. Dit werd in 1942 nabij Singapore door Japanse duikbommenwerpers getroffen, en is 52 jaar later geborgen door Michael Lim van Technical Diving International, die geschut, porselein en legeruniformen aantrof.

Grafschenners?

Ongeacht de opbrengst huiveren vele archeologen bij de gedachte dat op winst beluste ondernemingen aan scheepswrakken zitten. George Bass, hoofd archeologie van het INA, heeft de bergers steeds uitdrukkelijk veroordeeld; hij vergelijkt hen met grafschenners. Bass, die op dit moment werkt aan de opgraving van een scheepswrak uit de 5de eeuw v.C. bij Tektas Burnu in Turkije, vindt dat onderzeese archeologische vindplaatsen net zo goed onder monumentenzorg zouden moeten vallen als bijvoorbeeld de begraafplaatsen van indianen in Amerika.

In archeologische kringen doen talloze verhalen de ronde over gehavende scheepswrakken en vernielde voorwerpen. Een van de beruchtste gevallen is dat van de DeBraak, een in 1798 voor de kust van Delaware (VS) gezonken Brits oorlogsschip. Het verhaal gaat dat de bergers alles wat niet glinsterde weer in zee hebben gegooid, waaronder een achttiende-eeuws fornuis van de Britse marine, waarvan slechts één ander exemplaar bekend is. Toen het schip in 1986 met hijskranen werd bovengehaald, viel er een stortvloed van voorwerpen uit, terug in zee. Toen James Delgado, conservator van het Scheepvaartmuseum in Vancouver, onlangs bij Veracruz in Mexico de brik Somers bezocht, zag hij tot zijn afgrijzen dat dit schip – waarop de enige muiterij uit de geschiedenis van de Amerikaanse marine heeft plaatsgehad en dat Herman Melville heeft geïnspireerd tot het schrijven van Billy Budd – door schatvissers was geplunderd. Zij hadden de voorsteven opengebroken en kanonnen, sabels en de scheepschronometer geroofd.

De kleinste fout kan al onvervangbare gegevens vernietigen. Cheryl Ward, een archeobotanicus van het INA, verzamelt zaden, stuifmeel en plantenresten uit oude schepen. ,,Ik heb parfums en specerijen uit een scheepswrak uit de tijd van Toetanchamon onderzocht'', zegt Ward. ,,Ik ga erheen om te bestuderen hoe zo'n parfum werd gebruikt, welke rol het speelt in economische en religieuze documenten of zelfs in wandschilderingen.'' Haar zorg is dat achteloze bergers deze belangrijke sleutels tot het verleden simpelweg negeren, omdat ze geen veilingwaarde hebben.

Bijzondere zorg baart het groeiend aantal regeringen van Derde-Wereldlanden die overeenkomsten sluiten met bergers. Cuba heeft kort geleden twee Canadese firma's, Visa Gold Resources en Terrawest Industries, vergunning verleend om zijn wateren te doorzoeken. In ruil daarvoor krijgt de Cubaanse overheid de helft van alle gevonden schatten. Archeologen menen dat arme landen niet over de middelen beschikken om misstanden te voorkomen. Als voorbeeld van het ergste dat kan gebeuren noemen zij de Baltic, een Amerikaans vrachtschip dat in 1866 is gezonken bij de Bahama's. Dat is in 1992 geplunderd door bergers die met explosieven gaten maakten in de romp en hele kratten vol huishoudelijke voorwerpen vernielden.

De bergers geven toe dat er in het verleden het nodige misdreven is, maar verklaren stellig dat tegenwoordig de historische waarde van de scheepswrakken wordt gerespecteerd. ,,In de jaren vijftig ging je naar een wrak, nam het met een grijper onder handen, haalde eruit wat je kon gebruiken en gooide de rest overboord'', zegt Steven Morgan, president-directeur van de Mar-Dive Corporation, die al 35 jaar in deze business zit. ,,Nu wordt de vindplaats ontzien. De berger van tegenwoordig is een archeoloog.'' Om officieel vergunning te kunnen krijgen voor hun werk, moeten de schatvissers verklaren de voorwerpen behoorlijk te zullen conserveren en de scheepswrakken intact te laten. Zo moeten ondernemingen in Florida degelijke archeologische verslagen indienen, en moeten zij alle `niet waardevolle' voorwerpen – alles wat niet van edelmetaal gemaakt is of met juwelen bezet – voor onderzoek ter beschikking stellen van de overheid. Daarnaast ontvangt Florida eenvijfde deel van de schatten.

Vijfduizend munten

,,Alles wat wij aan een museum of aan de staat kwijtraken, valt in het niet bij de publiciteit die het ons oplevert'', zegt Morgan van Mar-Dive, ,,zodat de vijfduizend munten die wij overhouden twintig keer zoveel waard worden.'' Vele musea voelen er echter niets voor om de zakken van schatvissers te spekken, en nemen voorwerpen uit die bron dan ook niet aan. Zo hebben verscheidene musea geweigerd de schatten van de Whydah tentoon te stellen, een befaamd piratenschip dat in 1984 is ontdekt voor de kust bij Wellfleet in Massachusetts. Delgado: ,,Wij willen niets te maken hebben met illegale handel in of marketing van archeologische voorwerpen.''

Maar dankzij het Internet kunnen de bergers hun schatten nu ook onder dak brengen zonder dat musea er hun zegen aan geven. Verscheidene firma's mijden nu het veilingcircuit en verkopen liever rechtstreeks aan particulieren. ,,U kunt letterlijk `eigenaar' worden van een stuk geschiedenis'', aldus een kreet op Mel Fisher's Treasure Hunting Site, die is genoemd naar de inmiddels overleden berger die in 1985 voor de kust van Florida het Spaanse galjoen Atocha ontdekte. Bezoekers kunnen zilveren munten kopen voor prijzen van 775 tot 3.000 dollar – of voor 45 dollar genoegen nemen met een tandenstoker, gemaakt uit ongemunt zilver van de Atocha.

Schatjagers leren allengs ook een eigen soort tentoonstellingen op te zetten. De firma RMS Titanic, de wettige bergingsmaatschappij van de verongelukte oceaanstomer, heeft onlangs de exclusieve mondiale rechten om voorwerpen tentoon te stellen verleend aan de reusachtige evenementenorganisatie SFX Entertainment. Het gaat om ten minste 8,5 miljoen dollar per jaar. Masters denkt uit de Queen Anne's Revenge eveneens miljoenen te kunnen slaan, terwijl dat schip toch nauwelijks echt waardevolle spullen bevat. ,,De naam Blackbeard is al verkocht'', zegt hij. ,,Er zijn niet veel namen in de geschiedenis die zo'n sex appeal hebben.'' Hij droomt ervan een vierdelige documentaire over de piratenhoofdman te produceren, en replica's van aan boord gevonden voorwerpen te verkopen. Hij verwacht vooral veel van de verkoop van kopieën van een antieke injectiespuit, die Blackbeards bemanning kan hebben gebruikt om zichzelf met kwik in te spuiten – in 1718 dé kuur tegen syfilis.

Volgens topman Stemm van Odyssey zullen filmrechten en tentoonstellingen misschien zelfs de verkoop van voorwerpen kunnen overtreffen. ,,Er zijn waarschijnlijk allerlei manieren om aan scheepswrakken te verdienen zonder in feite iets te bergen'', zegt hij. ,,Waarschijnlijk is er meer verdiend aan de opnamen van de Titanic dan aan wat er ooit uit een scheepswrak is geborgen.'' Om minder schadelijke vormen van schatvisserij te bevorderen heeft Stemm de Professional Shipwreck Explorers Association (ProSEA) helpen oprichten. De leden van deze vakorganisatie verplichten zich om strenge ethische normen in acht te nemen, bijvoorbeeld dat er ,,geen voorwerpen van archeologische betekenis uit een scheepswrak worden geborgen, tenzij fondsen beschikbaar worden gesteld om ze te conserveren, te catalogiseren en te bewaren''.

,,Wij kunnen elkaar veel beter in de gaten houden dan een overheid dat kan doen'', zegt hij. ,,Als een van onze leden iets onbehoorlijks doet in de Indische Oceaan, kunnen we hem eruit zetten. (–) Tegen landen die met commerciële bergingsmaatschappijen werken, kunnen wij zeggen: `Die moet je niet nemen'.''

Schatvissers binnen en buiten ProSEA stellen dat wetenschappers moeten leren de oceaan te delen. De enige kans die archeologen hebben om vindplaatsen te beschermen, zo betogen zij, is door samenwerking met de particuliere sector, die de meerderheid van de wrakken opspoort. ,,Volgens sommige archeologen is de verkoop van voorwerpen heiligschennis'', zegt Masters. ,,Ik zeg: het is noodzaak.''

Geen compromis

De archeologen aarzelen echter nog om een verbond te sluiten. George Bass noemt het financiële argument ,,de grote leugen''; hij wijst erop dat jaarlijks tientallen archeologische projecten fondsen weten te werven. En Ward van het INA gelooft niet dat een compromis mogelijk is. ,,Zodra je begint over het verkopen van gevonden spullen, beland je weer in de commerciële aanpak uit het verleden'', zegt zij. ,,Die ontwikkeling hou je niet tegen, en dat zal voor archeologen nooit aanvaardbaar worden. (–) Wij mogen geen water bij de wijn doen. ,,Wij weten dat er geen Romeinse scheepswrakken meer bij komen.''

In de Verenigde Staten is de wetgeving met betrekking tot scheepswrakken summier. Onder de Abandoned Shipwreck Act van 1987 (ASA), die ten dele is opgesteld naar aanleiding van het debacle met de DeBraak, wordt de afzonderlijke staten de eigendom toegekend van alle verlaten scheepswrakken tot 4,5 km uit de kust. Maar aangezien het Congres verzuimde `verlaten' te definiëren, regende het vervolgens tegenstrijdige gerechtelijke uitspraken. De jongste zaak die tot de verwarring heeft bijgedragen betreft de Brother Jonathan. Dit schip, dat goudzoekers van Panama naar Canada vervoerde, is in 1865 vergaan voor Crescent City in Californië; tot de 223 dodelijke slachtoffers behoorden de lijfarts van Abraham Lincoln en de bevelhebber van de Noordelijke troepen in het westen. De bergingsmaatschappij Deep Sea Research vond het schip in 1993, waarna Californië het onder de ASA opeiste. Vorig jaar heeft het Hooggerechtshof bepaald dat de staat fysiek `bezit' van het schip moest aantonen om eigendomsrechten te kunnen doen gelden. In maart van dit jaar hebben de twee partijen een schikking getroffen, waarbij Californië twintig procent van de munten krijgt, en het recht op toezicht bij toekomstige opgravingen.

Onzeker is ook of buitenlandse scheepswrakken in Amerikaanse wateren als `verlaten' mogen gelden. Een centrale figuur in dit debat is Ben Benson van de firma Sea Hunt, die meer dan een miljoen dollar heeft gestoken in het opsporen van twee Spaanse galjoenen voor de kust van Virginia. Voordat hij met de berging kon beginnen claimde Spanje, op aandringen van het Amerikaanse ministerie van Justitie, de wrakken als nationaal bezit. De Verenigde Staten willen, aldus advocaat Jim Gould, die Spanje vertegenwoordigt, buitenlandse schepen de behandeling garanderen die ze ook voor hun eigen gezonken schepen wensen. Peter Hess, de advocaat van Benson, bespeurt een minder fraai motief: ,,Het gaat hun om de zeggenschap over alle Spaanse scheepswrakken in Amerikaanse wateren, zodat hun eigen, door de overheid betaalde archeologen hier met publieke middelen naar schatten kunnen komen vissen.'' In april bepaalde een federale rechter dat de Juno, die in 1802 is vergaan, nog aan Spanje toebehoort, maar dat Benson zijn gang mag gaan met de in 1750 gezonken La Galga, op grond van een verdrag uit 1763 waarmee koning Karel III van Spanje afstand deed van al zijn Noord-Amerikaanse bezittingen. Tegen deze uitspraak is beroep aangetekend.

Er wordt zowaar gewerkt aan een internationaal verbod op schatvisserij. De UNESCO praat over een verordening die commerciële berging van alle scheepswrakken ouder dan honderd jaar zou verbieden. Er is ook sprake van dat alle geborgen voorwerpen zouden moeten worden teruggegeven aan het land van herkomst. Verontwaardigde schatvissers hebben een organisatie opgericht, het Institute of Marine Archaeological Conservation (IMAC), om tegen deze maatregelen te lobbyen. ,,UNESCO heeft werkelijk geen idee van particulier bezit of eigendom'', klaagt Hess, die actief is in het IMAC. ,,Zij begrijpen niet dat een deel van het beste archeologische werk door particulieren is verricht.'' Ook als het verbod erdoor zou komen, is het nog zeer de vraag hoe effectief regeringen toezicht kunnen houden op driekwart van het aardoppervlak.

Terwijl de UNESCO-afgevaardigden voortkibbelen, heeft Phil Masters dringender juridische zorgen aan zijn hoofd. Hij verwacht dat zodra hij de El Salvador vindt, ettelijke concurrerende partijen hem voor het gerecht zullen dagen om aanspraken te doen gelden. Hij voorspelt ook dat er nog wel vijf of tien jaar overheen zullen gaan voordat het schip al zijn schatten prijsgeeft, wat nog eens een investering van vijf à tien miljoen dollar zal vergen. Toch springt hij iedere ochtend weer stralend uit bed in zijn krappe huis tegenover een autokerkhof, klaar om weer een dag met de magnetometer aan de slag te gaan – het is oneindig veel beter dan met de metro naar kantoor te moeten. ,,De jacht, en de liefde voor de geschiedenis, dat zijn de redenen waarom ik ermee doorga'', zegt hij. ,,De ontdekking zelf zal een beetje een anticlimax zijn.''

Maar een schat ter waarde van 124 miljoen dollar doet ook het onbaatzuchtigste hart sneller kloppen, en Masters, die een gouden escudo uit 1737 om de hals draagt, is geen uitzondering. ,,Het is niet te geloven hoe mensen reageren als ze een beetje goud zien'', zegt hij. Met glinsterende ogen: ,,Het is een gevoel waar ik me op verheug.''

Vertaling Jaap Engelsman

Copyright U.S. News & World Report

Filmrechten en tentoonstellingen zullen zelfs de verkoop van voorwerpen kunnen overtreffen