Indonesië moet broedertwist vermijden

Met de installatie van een nieuw kabinet heeft Indonesië deze week een stap voorwaarts gezet op het wankele pad van de democratie. Nog belangrijker is dat president Wahid en vice-president Megawati nu de dreiging van een broedertwist tussen de islam en de seculiere nationalisten weten te overwinnen, meent Nico Schulte Nordholt.

Deze oktobermaand zal de Indonesische geschiedenis ingaan als de `revolutionaire overgang' naar de democratie. Daar zag het vorige maand nog niet naar uit, toen onder anderen Abdurrahman `Gus Dur' Wahid zijn bezorgdheid uitsprak over het feit dat het land ,,nog maar een centimeter verwijderd (was) van een militaire coup, die dan onherroepelijk zou uitmonden in een broederoorlog.'' Om die dreiging af te wenden, moesten alle direct betrokkenen tot het inzicht komen dat alleen een breed gedragen nationale consensus een uitweg kon bieden.

Inmiddels is een aantal noodzakelijke stappen voor een uitweg uit de crisis genomen. Als eerste, de verkiezing van een nieuw leiderschap dat vertrouwen inboezemt in het onverkort handhaven van Soekarno's gouden formule van de pancasila als staatideologie die de natie samenbindt. Als tweede, een kabinet dat voldoende verwachting biedt om met min of meer `schone handen' te beginnen aan het herstel van de economie. Op de derde stap, en misschien wel de meest bepalende voor het al dan niet slagen van de democratische koers, de `grote schoonmaak' binnen het leger, moet nog worden gewacht.

Algemeen wordt in Indonesië het nieuwe duet, een term waarmee Gus Dur en Megawati worden aangeduid, als het beste resultaat beschouwd dat gezien de omstandigheden kon worden behaald. Het is eigenlijk al veel meer dan waarop menigeen had durven hopen. Gehoopt wordt ook dat het duet Gus Dur-Mega het volk niet alleen weer vertrouwen in een betere toekomst zal schenken, maar dat bovenal de dreiging van een broedertwist tussen de islam en de seculiere nationalisten (en de daarmee verbonden christelijke minderheden) kan worden overwonnen. Bovendien wordt gehoopt dat het geschonden internationale aanzien van Indonesië weer kan worden hersteld.

De tweede stap op weg naar een democratie was de samenstelling van het nieuwe kabinet. Gezien alle compromissen die Gus Dur heeft moeten sluiten verwachtten de meeste waarnemers eerder een vorm van voortzetting van de Nieuwe Orde dan dat een werkelijke reformasi-koers zou kunnen worden ingezet. Al was ook iedereen ervan overtuigd dat in dat geval de (inter)nationale geloofwaardigheid van het nieuwe duet meteen sterk was gereduceerd. Voortzetting van de Nieuwe Orde zou ook een negatieve invloed hebben op de bereidheid van de internationale gemeenschap om de economie van Indonesië mee uit het slop te trekken. Maar zal een kabinet met grotendeels nieuwe (en dus onervaren) leden wel voldoende vertrouwen inboezemen?

Positief is de balans tussen vernieuwing en ervaring, de evenwichtige vertegenwoordiging over de diverse regio's – van Atjeh tot Irian Jaya – en vooral ook de proportionele verhouding tussen de verschillende religies. Van de 35 ministersposten worden vijf door niet-moslims bezet (15 procent), hetgeen overeenkomt met de religieuze verhoudingen in de samenleving als geheel (85 procent moslims). Maar nog belangrijker is de redelijke balans tussen de verschillende religieus-maatschappelijke stromingen binnen de islam zelf. Niet alleen de twee grootste, de Nahdlatul Ulama en de Muhammadiyah, maar ook de kleinere meer islam-politieke groeperingen hebben ministersposten gekregen. De politieke lijn van Gus Dur zal een islamisering van de politiek voorkomen.

Alleen het uitzonderlijke gezag en de persoonlijke gaven van een figuur als Gus Dur lijken in staat een zo heterogeen gezelschap tot een werkbare eenheid te smeden. De opluchting dat op het laatste moment een catastrofe is voorkomen is zo groot dat iedereen er goed van doordrongen is dat een koerswijziging noodzakelijk is. De grote afhankelijkheid van de nieuwe president legt wel een zeer sterke wissel op het leiderschap van de fysiek zo fragiele Gus Dur.

Omdat Indonesië een presidentieel kabinet kent, is de invloed van de president op de samenstelling en de uitvoering van het beleid van doorslaggevend belang. Maar heel slim heeft Gus Dur de vier andere belangrijke politieke leiders bij de samenstelling betrokken en hen zo mede verantwoordelijk gemaakt voor de uitvoering van zijn beleid. Allereerst Megawati als de grote overwinnaar van de verkiezingen in juni, vervolgens Akbar Tandjung, de voorzitter van de Golkar (toch nog altijd in grootte de tweede partij) en tevens de voorzitter van het nieuwe parlement. Generaal Wiranto, die voorlopig nog gezien moet worden als de politieke leider van het zo invloedrijke leger. En, ten slotte, Amien Rais, weliswaar de grote verliezer in juni, maar wel de man die met het compromisvoorstel kwam om Gus Dur naar voren te schuiven om zodoende een fatale botsing tussen Habibie's en Megawati's aanhang te voorkomen.

De keerzijde van een dergelijk breed samengesteld kabinet is dat nauwelijks een controlerende functie van het parlement te verwachten valt. Dit komt op de wat langere termijn de ontwikkeling van de democratie natuurlijk niet ten goede, maar voorlopig is de crisis waarin Indonesië zich bevindt nog zo groot dat alleen met vereende krachten de ontwikkeling kan worden gekeerd.

In dit verband zal de slagvaardigheid van de nieuwe ministersploeg van doorslaggevend belang zijn. Over hun individuele bestuurskwaliteiten tasten we bij de meesten echter nog in het duister. Het opleidingsniveau is weliswaar uitzonderlijk hoog en aan geestdrift en inzet zal het niet liggen, maar de grote vraag is of de verschillende politieke visies op korte termijn op één lijn gebracht kunnen worden. Dit weegt het zwaarst binnen de financieel-economische driehoek.

Megawati's rechterhand, drs. Kwik Kian Gie, moet leiding geven aan een team van 7 ministers van 4 verschillende partijen/stromingen die het financieel-economische beleid zodanig vorm moeten geven dat het vertrouwen van de (buitenlandse) investeerders weer terugkeert. Allen, inclusief Kwik zelf, zijn nieuwkomers op hun departementen en slechts één, ir. Sarwono Kusumaatmadja, kan bogen op eerdere ministerservaring. Bovendien behoort de minister van Industrie en Handel, drs. Yusuf Kalla, tot de Habibie-clan, hetgeen weinig vertrouwen wekt. De hele ploeg onder Kwik lijkt een meer nationalistische en populistische koers te willen varen en alleen uit pragmatische overwegingen en vanwege het inzicht dat slechts met sterke druk en hulp uit het buitenland de Indonesische economie, en dan vooral het door en door corrupte bankwezen, kan worden gesaneerd zullen het IMF en de Wereldbank als partners worden geaccepteerd.

Op het terrein van de politieke democratisering moet nog meer gebeuren. De dragende instituties voor een democratie ontbreken vrijwel geheel. Het parlement moet nog leren kritisch te functioneren en de partijen zijn nog voornamelijk afhankelijk van charismatische figuren, hebben een zwakke organisatie en nauwelijks duidelijke politieke programma's. Wel functioneert de pers als kritische factor. Het is dan ook zeer bemoedigend dat binnen een week Gus Dur de hoofdredacteuren heeft uitgenodigd en hun op het hart heeft gebonden door te gaan met hem kritisch te volgen: hij ziet de pers als vierde macht in de samenleving.

De nieuwe minister van Defensie, dr. Juwono Sudarsono, koestert weliswaar warme sympathie voor Westerse ideeën over de democratie, maar hij is vooral een pragmatisch nationalist, die omwille van de eenheidsstaat grote waarde blijft hechten aan het effectief functioneren van het leger en de bureaucratie, zeker zolang andere democratische instellingen nog nauwelijks van de grond zijn gekomen. Daarom zal hij omzichtig te werk gaan om de noodzakelijke `grote schoonmaak' binnen het leger, waarvan ook hij overtuigd is, door te voeren. Niet alleen moet hij de elitetroepen aanpakken, hij ziet zich ook geplaatst voor een proces waarbij het leger in het jaar 2004 teruggekeerd moet zijn in de barakken. Dan moet ook de dubbelfunctie (de politiek-economische, naast de specifiek militaire taken) zijn opgeheven. Uiteraard bestaat hier binnen het leger grote weerstand tegen. Twee generaals die dit beleid wel volledig steunden, zijn `weggepromoveerd' tot minister en dus kan Juwono op nog minder medestanders binnen het leger rekenen.

Evenals Gus Dur is hij van mening dat de pers hem bij dit proces zal steunen. Ook zal hij de en petit comité geventileerde mening van een hoge officier delen dat, analoog aan de noodzakelijke buitenlandse druk om de banksector te saneren, ook, omwille van de noodzakelijke `disciplinering van het leger' buitenlandse druk, inclusief een oorlogstribunaal, noodzakelijk is. Juwono zal echter diezelfde officier nazeggen: c'est le ton qui fait la musique. Wanneer buitenlandse kritiek onzakelijk en niet professioneel wordt geuit, zal deze ultra-nationalistische gevoelens aanwakkeren en dus contra-productief blijken te zijn.

Dr. N.G. Schulte Nordholt is als universitair hooddocent bestuurlijke aspecten van ontwikkelingsproblematiek verbonden aan de Universiteit Twente.De pers is een belangrijke rol toebedacht