Ik ben helemaal in de vergankelijkheid

Op de drempel van de 21ste eeuw blikken vijf Nederlanders terug op hun leven.

Deze week de eerste: Conny Stuart (86).

Ik ben geboren een jaar nadat de Titanic zonk en een jaar voordat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Op 5 september 1913. Het was hier in Holland een stijve troep. Op het ogenblik hebben de mensen gereguleerde tanden en hun haar wordt verstevigd. Toen zagen ze er niet uit. Als je make-up op had, werd je nagekeken. Ik vond het hier helemaal eigenlijk niks. Als kind al. Ik had iets on-Hollands.

,,Je had stadsmensen en mensen uit de provincie. De mensen uit Den Haag voelden zich werkelijk van een betere soort. Mijn vader, Pieter van Meijgaard, was een elegante man. Secretaris van een Haagse baron. Hij trouwde een meisje uit Leerdam. Dat kon, want ze was mooi en dun. Maar toen mijn nichtje Maaike eens bij ons kwam, zei hij: `Je moet jezelf Maya noemen'. Namen moesten welluidend zijn.

,,Mijn ouders waren artistiek aangelegd, al kwamen ze uit een protestants milieu. Met mijn moeder ging ik naar de Italiaanse opera in het gebouw van Kunsten en Wetenschappen. Met mijn vader naar de Bouwmeesterrevue in het Scala-theater. Daar zag ik de muzikale clown Buziau, om wie ik het meest gelachen heb in mijn leven. Thuis draaiden we grammofoonplaten van Maartje Offers en cellist Pabo Cassalva, de klassieke musici van die tijd. Louis Davids werd het meest geapprecieerd in het lichte genre.

,,Ik kreeg een piano en pianoles. En ik kreeg de Sprookjes van Andersen. Waldemar Daae en zijn dochters, Het meisje met de zwavelstokjes: ik heb ze nooit meer herlezen, maar ik ken nog elke scène. Andersen gaf de wind de hoofdrol en maakte arme sloebers van de koningen. Die combinatie van lyriek en satire ben ik later weer tegengekomen in het cabaret van Wim Sonneveld.

,,Mijn vader zong en danste de Russische kozakkendans. Mijn moeder had gevoel voor mode. En toch was er een groot drama in ons gezin: mijn gestoorde broer Kees. Hij had de geestelijke ontwikkeling van een kind van drie. Hij kon moeilijk lopen, had vreselijke krampen, moest gevoerd worden en was tijden onzindelijk. Hij was onhoudbaar, maar mijn moeder wilde hem niet afstaan. Ze ging helemaal op in zijn leven.

,,De vrienden en kennissen bleven weg uit ons huis in het Bezuidenhoutkwartier. Het leven verdroogde, de humor verdween. Allemaal vanwege die broer. De dominee zei: `die jongen is een straf van God voor de zonden van de voorouders'. Mijn ouders gingen niet meer naar de kerk. Uiteindelijk vertrok Kees naar een inrichting. Daar kreeg hij elektroshocks toegediend en zakte langzaam in. Hij was op. Op 44-jarige leeftijd overleed hij.

,,Ik heb nooit over Kees gesproken. Ik heb hem weggeschminkt. Als bekende Nederlander sprak je daar niet over in het openbaar. Pas geleden herinnerde ik me weer dat hij altijd aan mijn haar trok. En dat hij een afsluitend gebaar maakte als ik een bezoek aan hem moest beëindigen. Dat was ik vergeten.

,,Ik was op mezelf aangewezen, kocht mijn eigen kleren. Mijn ouders dachten: dat kind redt zich wel. Dat is natuurlijk maar gedeeltelijk waar. Aan het einde van haar leven zei mijn moeder dat ze me te veel aan mijn lot had overgelaten. Dat heb ik haar uit het hoofd gepraat. Ik was beslist geen slachtoffer of een eenzaam kind. Het waren de omstandigheden.'

Bij mijn HBS-vriendinnen thuis kreeg ik wel aandacht. Ik speelde de foxtrot Whispering op de piano en zong Schubert-liederen – toen nog met een hoge stem. Ze zaten zwijmelend om me heen. Een moeder zei: `kind, jij moet later naar de operette'. Ze bracht me naar een theatercafé in de buurt van Huis ten Bosch. Daar ging ik vrijmoedig achter de piano zitten en het orkestje speelde met me mee. Het was mijn eerste optreden.

,,Ik dweepte met de Poolse pianist Ignacy Paderewski, met Richard Tauber en met de chansonnière Lucienne Boyer. Ik bezocht hun recitals in Hotel des Indes en in Palais de Dance, een uitbouw van het Kurhaus. Hun foto's en handtekeningen bewaarde ik in een zwartsuède plakboek, getiteld My bohemian cocktail mixed by Puck Stuart. Het was de eerste keer dat ik mijn artiestennaam gebruikte.

,,Ik epileerde mijn wenkbrauwen en maakte mijn ogen op zoals Greta Garbo dat deed – een driehoekje oogschaduw op elk ooglid. Op zondag tijdens de thé dansant in het Kurhaus ontmoette ik schilders, studenten, maar ook kapsters. Ik rookte en dronk me ziek aan de chianti in de Italiaanse restaurants. En dan dat dansen. Dat was de manier om iemand dicht tegen je aan te krijgen. De decadente wereld van Den Haag was een permanente sensatie. Mijn ouders hadden me niet meer in de hand.

,,Vooral Boyer koesterde ik. En haar starsong Parlez moi d'amour. Een akelig simpel liedje met een paar noten, maar de hele wereld was er kapot van. Ze zong ook zo simpel eigenlijk, in een klein register, maar die stem was zeer puur. Haar handelsmerk was de tong-r. Die probeerde ik krampachtig te imiteren, maar imiteren is nooit bevredigend voor een perfectionist. Er was maar één manier waarop ik wilde zingen en dat was haar manier.

,,Dwepen is voor mij een natuurlijke behoefte gebleven. Als een artiest beantwoordt aan de combinatie van geweldig veel talent en een leuke uitstraling, kan hij mij tot zijn bewonderaars rekenen. Vorig jaar nog toen Haitink als verloren zoon terugkwam bij het Concertgebouworkest. God nog toe, grote extase. Maar ook in mijn bewondering ben ik kritisch. Ik ben niet blind voor fouten. Al mogen fouten nooit de aanleiding zijn om mijn bewondering te verliezen.

,,Ik forceerde mijn stem van drieënhalve octaaf omlaag in een kleiner register – tot borststem. Levensgevaarlijk, want ik had nooit zangles gehad. Ik zong wat voor de radio – chansons – en ik figureerde trillend van de zenuwen in een stuk van het Hofstadtoneel met Fien de la Mar. Die zenuwen, dat moet een soort professioneel gevoel geweest zijn. Mijn carrière zou een vocale carrière worden.

,,Misschien had ik een actrice kunnen worden die iets had betekend. Ik kon ook aardig tekenen, ik kon kleren ontwerpen. Het is leuk als je thuis bent in verschillende takken van kunst, maar je wordt onduidelijk voor het publiek. Mensen willen graag weten waar ze aan toe zijn. Ik heb net zolang geschaafd tot er een grote lijn was in mijn carrière. Ik was zangeres en mijn wereld was die van het cabaret.

,,Vorige week op de begrafenis van Harry Bannink vroeg Jenny Arean: `Wat vond je nou de mooiste jaren?' `Het cabaret van Sonneveld tussen 1945 en 1955', zei ik. `Dat was de dierbaarste tijd.' Hella Haasse, Albert Mol, Hetty Blok, Joop Doderer; we ontdekten het theater. We verrasten onszelf en het publiek. Dat gevoel is kinderlijk, beetje amateuristisch ook. En wat er ook gebeurde, saai was het nooit.

,,Dat geestige van mij is tevoorschijngekomen bij Wim Sonneveld. Ik wist wel dat ik klasgenoten op de HBS aan het lachen kon maken, maar op het toneel wilde ik serieus en artistiek zijn. Gevoelige liederen zingen. Dat komische kwam steeds vanzelf. Het ging met me op de loop. Ik werd komischer gerecenseerd, de nichtenhumor van Sonneveld sloeg aan en de mensen wilden zich rot lachen. Om het effect te vergroten, werd ik gemanipuleerd door de regie. Het werd te veel.

,,Die lachcultus is alleen maar erger geworden. Dat uitbundige lachen in die spelletjesprogramma's op televisie. Waarom in godsnaam? Er valt niks te lachen. Lachen is voorschrift geworden of mode.'

Jarenlang speelde ik negen maanden achter elkaar elke avond. Alleen oudejaarsavond was vrij. Elk programma, elke musical van Annie M.G. Schmidt. Pas in 1968 kregen we de eerste vrije avond in de week. De huishoudster zorgde voor mijn twee zoons en als ze een vrij was, bracht de babysitter ze 'smorgens naar school. En dan was er nog de werkster voor het grove werk. De was hadden we buiten de deur. Het was een dure menagerie.

,,Natuurlijk had ik last van schuldgevoelens. Ik had altijd het idee dat ik te weinig aandacht aan de kinderen kon besteden. Veel op reis, vader niet thuis. Raymond en Michel logeerden soms wekenlang bij familie. Michel had eens tijdens een tournee zijn arm gebroken. De huishoudster belde naar het kantoor van Sonneveld. Hij werd op de hoogte gebracht, maar mij mocht niets worden gezegd. De show moest doorgaan. Pas op de terugweg naar huis werd ik ingelicht.

,,De kinderen zijn altijd aardig. Ze zeggen dat ze zoveel leuke mensen hebben ontmoet. Nooteboom, Campert, Eli Asser, Ko van Dijk met zijn vrouw: ze hebben allemaal hun handtekening gezet op een groot linnen kleed dat mijn huishoudster had gemaakt. Wie is hier niet geweest?

,,Mijn buurvrouw had vier of vijf kinderen en zat elke middag klaar bij de thee. Ze zei tegen me: `Het is zo gewoon dat ik altijd maar zit te wachten. Als jij thuis bent, is het tenminste feest.' Ik was een middelpunt in het gezin. Altijd aan het woord. De triomf van het succes, het publiek, de publiciteit: de kinderen raakten eraan gewend.

,,Ik heb de emancipatiebeweging niet nodig gehad. Als je succes hebt, sta je sterk als vrouw. Ik heb er nooit naar gestreefd om macht te verwerven, maar ik heb me wel gerealiseerd dat ik een machtspositie had. De mensen buigen voor je in het stof. Er werd rekening met me gehouden. Ik kon dingen doen die de heersende moraal verbood: samenwonen, buitenshuis werken, scheiden.

,,Ik ben niet geschikt om dag en nacht met iemand samen te zijn. Beklemmend, dat volkomen bezit van elkaar. Samen in de auto, samen boodschappen doen. Al houd je nog zo van elkaar, je moet adem kunnen halen. Leuk met elkaar in een bed, maar ook je eigen slaapkamer.

,,Van mijn 21ste tot mijn 41ste ben ik bij één man gebleven. Hofman een impresario. Acht jaar samengewoond, twaalf jaar getrouwd, vader van mijn kinderen. We zagen elkaar soms tijden niet, dat hielp. Daarna kwam Doderer, van 1957 tot 1960. Die mannen reikten veel te hoog boven hun stand om dure cadeaus voor me te kopen. Het waren mannen met wie ik een stormachtig leven leidde. Ik ben in de wieg gelegd voor stormachtige verhoudingen. Bijzondere mannen, onvoorspelbaar, maar niet saai.'

Niets is erger dan saai. Mannen bij wie de garantie op een goed huwelijk het grootst is, vind ik te saai. Met Hofman en Doderer trouwde ik uit fatsoen. Voor de kinderen, voor de familie, voor de school. Na Doderer dacht ik: ik kan de kinderen geen derde echtscheiding aandoen. Ik ben geen Liz Taylor. Dat wil niet zeggen dat ik nooit meer verliefd ben geweest – maar daar laat ik me niet over uit.

,,Hofman heb ik nooit meer gezien, Doderer ben ik nog een keer tegengekomen in de schouwburg. Hij stelde me voor aan zijn derde vrouw, inmiddels is hij aan zijn vierde toe. Hij moffelt ze weg in interviews. In mijn leven is geen plaats voor co-ouderschappen en voortsukkelende vriendschappen. Over is over. Waarom zou je je ex nog eens opzoeken als je toch niet meer om elkaar geeft?

,,Ik houd niet van onduidelijke vriendschappen en onduidelijke gevoelens. Daar moet je mee afrekenen. Zo heb ik ook met het geloof afgerekend. Na de oorlog constateerde ik dat ik niet meer geloofde. Dat er meer bewijs is voor de evolutietheorie dan voor het bestaan van God. In nood spande ik God nog wel eens voor mijn karretje, maar dat vond ik opportunistisch. Sommige mensen zeggen: `Ik ga niet naar de kerk, maar ik geloof wel in God, voor alle zekerheid'. Tot die categorie hoor ik niet.

,,Aan mijn carrière heb ik ook bewust een einde gemaakt. Gisteren zat ik in tramlijn 2. Er stapte een controleur in. `Goh, mevrouw Stuart, wanneer zien we u weer eens op het toneel?' Ik antwoordde: `Ik ben helemaal in de vergankelijkheid'. Ongemerkt word je oud. Jarenlang was ik omringd door mensen die voor me schreven en regisseerden. Door een impresariaat dat me aanmoedigde. Je verliest elk tijdsbesef.

,,Rijk de Gooijer vroeg me: `Ben je zo zuinig geweest dan, dat je zomaar kunt stoppen?'. Ik zei: `Nee, maar ik heb niet zoveel gezopen en niet al die dure auto's gekocht'.

,,De dingen die leuk waren in het leven waren leuk omdat ik er de leeftijd voor had. Herhaling bestaat niet. Het is altijd anders dan het vroeger was. Ik heb genoeg applaus gehad, genoeg succes. Een enkele keer hoor ik iets op een cd en dan denk ik: dat raakt enigszins aan wat ik had gewild. Ik verveel me zo van Wim Sonneveld bijvoorbeeld. Wat voor weer zou het zijn in Den Haag en Schaarste van Annie M.G. Schmidt.

,,Ik heb mijn tanden nog, maar mijn gehoor is achteruitgegaan. Er komt een tijd dat ik de trap niet meer opkom. Iedereen gaat dood: Annie Schmidt, Guus Vleugel, Harry Bannink. Ik rouw om hen. Maar ik kan tegenslagen verwerken, me lichamelijk en geestelijk gauw herstellen. Je komt de kleedkamer binnen van het toneel. Je bent doodmoe. Je herstelt je make-up even en je gaat weer.

,,Hans van Maanen zei: `Wat zie je er nog goed uit'. Maar ik ken dit gezicht zo langzamerhand. De zwakke plekken en de voordelen. Een schoonheid ben ik nooit geweest – je ziet niet zoveel schoonheden aan het toneel. Die gaan naar de film. Ik heb altijd veel met make-up gedaan. Daarom vinden mensen dat ik nauwelijks verander. Ik kijk in de spiegel en ik zie wat er allemaal afbladdert.

,,Ik ga zelden naar modeshows of premières, want voor je het weet sta je in het Stan Huygens-journaal met Frans Molenaar of met een nieuwe musicalster. `Kijk de oude mevrouw Stuart eens.' Dat soort publiciteit wil ik niet. Als oud mens moet je het veld ruimen. Je schuift op, de vergetelheid in. Niet nog eens terugkomen, niet oordelen. Ik ben genoeg opgemerkt in mijn leven. Nu blijf ik het liefst onopgemerkt.'