Hoog water komt! Hoog water komt!

,,Kijk, dit ben ik toen ik een kleuter was. Ik droeg nog een rokje en mijn haar was lang. Die foto is later de hele wereld overgegaan als ansichtkaart. Jammer dat mijn vader er geen geld voor heeft gekregen. Op Marken kregen we pas op ons zesde een broek aan. En ons haar werd geknipt als we acht waren. Mijn ouders hadden drie kinderen, een meisje en twee jongens, met telkens vier jaar ertussen. We waren heel arm, maar dat viel niet op. Bijna iedereen op Marken was arm – alleen tussen juni en november kon er worden gevist. In die periode moest er genoeg worden verdiend om de winter door te komen. De Afsluitdijk maakte de vissers brodeloos, maar toch was er weinig verzet tegen. De Afsluitdijk betekende ook: niet meer twee, drie keer per jaar onderlopen. Na de grote watervloed van 1916 had iedereen daar goed de schrik van. Bovendien: de schade was altijd voor eigen rekening.

De oudste huizen van Marken staan op terpen, de minder oude op palen en alleen de huizen die na 1932 zijn gebouwd staan op de grond. Vóór 1932 had niemand kleden op de vloer en de meubelen waren licht. Ik herinner me hoe ik als klein jongetje met mijn moeder naar het stijgende water stond te kijken. Eerst liep de sloot vol, daarna de bleek, daarna kwam het over de dijk en dan moest ik naar zolder. Ik herinner me dat ik met een wieltje zat te spelen – het verdween in het water door het trapgat. Blijf daar dan ook weg, riep mijn moeder. Als de wind een paar dagen hard uit het zuidwesten had gewaaid en hij verliep daarna naar het noorden en het werd tegelijkertijd vloed, dan kregen wij hoog water. Al het water dat eerst was opgestuwd naar Gaasterland kwam in één keer terug. De havenmeester in Harlingen belde naar Marken en dan liepen ze bij ons met een ratel en een scheepstoeter door het dorp: hoog water komt, hoog water komt! De koeien werden van het land gehaald en ik zie mijn zusje nog uit school komen met grote bladen papier vol hoogwatersommen — die kregen ze mee als huiswerk.

De Urkers, de Harderwijkers en de Volendammers zeiden dat de Markers niet ondernemend waren omdat de Marker vissersvloot vóór 1932 al bijna was verdwenen. Maar men kan net zo goed zeggen dat de Markers al voor 1932 inzagen dat ze beter wat anders konden gaan doen. Ze gingen naar de koopvaardij, of naar de Noordzee, en een enkeling ging naar kantoor.

Mijn vader was in 1937 voor Waterstaat naar de Noordoostpolder gegaan. Maar in dat jaar werd ik heel ziek, pleuritis, en het jaar daarop zei de dokter: ga niet weg, want dan zie je die jongen niet meer. Voor mijn vader was dat niet gemakkelijk, want hij verdiende bij Waterstaat 20 gulden per week en nu had hij niets. Toen kwamen de heren van de Rijksdienst voor de Zuiderzee-Steunwet op het idee om hem dan maar voorlichter te maken voor de tuinbouw. Na de drooglegging hadden de Markers namelijk volkstuintjes gekregen. Een gemeenteraadslid zei: brave man, die De Jong, maar hij weet het verschil tussen een witte kool en een savoijekool niet. Dat wist hij inderdaad niet, maar hij kreeg de baan toch en dat kwam goed uit, want toen de oorlog uitbrak, had hij een tuinbouwbedrijf. Dat viel nog steeds onder de Zuiderzee-Steunwet en de inspecteur kwam regelmatig kijken hoe het ging – met meer dan één bedoeling. Hij ging altijd weg met een tas vol groente en fruit.

Ik weet nog dat ik in de winter van 1942 winterwortelen stond schoon te maken en toen kwam de inspecteur weer. Kun jij goed leren?, vroeg hij. Hij vroeg het ook aan de hoofdonderwijzer en die riep meteen ja, want hij wist ook wel dat hij mij dan mocht klaarstomen voor de HBS. Daar kon hij mooi wat mee verdienen. Op mijn zestiende slaagde ik voor het toelatingsexamen. Het enige probleem was dat ik in Amsterdam in de kost moest. Daar hadden de heren van de Rijksdienst ook een oplossing voor. Ze hadden een voormalige visser uit Harderwijk conciërge gemaakt van hun kantoor in Amsterdam, maar die was overleden en nu moesten zijn weduwe en zijn dochters zien rond te komen van een klein pensioen. Dus ik ging in de kost bij die weduwe en haar dochters. Eén van die meisjes is later nog getrouwd met mijn vriend uit die tijd.

Na de HBS wilde ik naar het gymnasium en ik dacht: de Rijksdienst heeft mij maar drie jaar schoolgeld betaald, misschien kan ik er nog twee jaar bij krijgen. De eerste klas had ik overgeslagen en in de hongerwinter was ik niet naar school geweest. Maar de heren van de Rijksdienst zeiden dat ze daar niet voor waren. Toen ben ik gaan werken en intussen bereidde ik me voor op het staatsexamen gymnasium. Mijn zusje was dienstmeisje geworden in Amsterdam en zij hielp me. Wat heel jammer is: toen ik examen had gedaan, werd zij ziek. Ook pleuritis. In 1955 is ze overleden. Ze was een slimme meid. Een paar jaar geleden vond ik op de zolder van het huis van mijn ouders al haar oude schoolschriften. Er stonden bijna geen fouten in. Mijn moeder was heel belezen. Ze lazen bij haar thuis gedichten van Da Costa. Ze waren geabonneerd op de Acta van de Tweede Kamer.''