De loterij

Enkele jaren geleden ontvluchtte de Soedanese journalist Mohammed Abd al-Hamid zijn land.

Hij vroeg in Nederland asiel aan. In een korte serie

doet hij verslag van zijn wederwaardigheden

in `de procedure'.

Deel drie: 99 tips

hoe je met

Nederlanders

moet omgaan.

Iedere dag om half zeven 'savonds wordt over de intercom van het opvangcentrum te Zwolle bekendgemaakt welke asielzoekers worden overgeplaatst naar een asielzoekerscentrum. Alle asielzoekers in het opvangcentrum leggen op dat tijdstip hun bezigheden neer en luisteren aandachtig. Overplaatsing naar een AZC is goed nieuws. Behalve promotie naar het tweede stadium van de procedure betekent het een uitbreiding van privileges waaronder ƒ25 per week meer zakgeld, de mogelijkheid om zelf eten te koken en de vrijheid om door het land te reizen, met slechts één keer per week de plicht om je te melden in plaats van iedere dag. Verder komt door overplaatsing de toestemming om zelfstandig te gaan wonen in zicht. Dit privilege wordt ZZA genoemd, een afkorting waarvan niemand schijnt te weten wat zij betekent en die onder ons Soedanezen wordt aangeduid als `Ga maar bij je vriend wonen'.

Na een uitzonderlijk lange wachttijd van veertien weken in het opvangcentrum werd op een goede dag ook mijn naam afgeroepen en werd ik overgeplaatst naar het AZC te Echt. Een rode pin op de kaart in het administratiekantoor wees aan dat Echt een plaatsje in het diepe zuiden van Nederland was. Nog dezelfde dag ondernam ik de treinreis door het overdadig groene landschap. Het centrum bleek een modern gebouw van drie verdiepingen dat zo'n vierhonderd asielzoekers huisvestte. Het lag samen met een ander gebouw net buiten de bebouwde kom tussen de weilanden met koeien en reusachtige paarden van een nabijgelegen fokkerij. Het andere gebouw bleek later een inrichting te zijn voor geestelijk gestoorden, die op de met prikkeldraad van ons terrein afgescheiden binnenplaats rondliepen en allerlei onheilspellende geluiden maakten.

De Soedanezen in het AZC te Echt onthaalden mij op mijn eerste Soedanese maaltijd sinds maanden en op een authentiek Soedanees drinkgelag. Ik kreeg een kamer toegewezen samen met een andere Soedanees, een kalme en vriendelijke man die daar al drie jaar verbleef. Hij verwelkomde mij met de aansporing om me thuis te voelen en me voor te bereiden op zijn vriendschap en een lang verblijf in het centrum. Ik ging op het bed zitten en keek de kamer rond, waarbij ik opmerkte dat er een onverklaarbare rubber handschoen aan het plafond bungelde. Ik besloot niet te vragen wat die handschoen betekende omdat ik in het opvangcentrum geleerd had dat alles in de loop van de tijd vanzelf duidelijk wordt. Later bleek dat alle asielzoekers ondanks het uitdrukkelijke verbod op hun kamers koken en dat de handschoen daar hing om de rookmelder af te dekken.

Na drie weken in het asielzoekerscentrum in Echt werd ik uitgenodigd om deel te nemen aan een soort integratiecursus waarin asielzoekers worden onderwezen over zaken die hun eventuele deelname aan het maatschappelijk leven in Nederland zouden vergemakkelijken. Onze jonge lerares begon de eerste les met het uitdelen van telefoonboeken. Toen wij er allemaal een hadden, verklaarde zij: `Dit is een telefoonboek.' Een telefoonboek, zo leerden wij tijdens de eerste les, is een boek waarin je de telefoonnummers kunt opzoeken van personen en bedrijven wier namen op alfabetische volgorde zijn gerangschikt. Ook vertelde zij ons over de gele bladzijden in het telefoonboek en dat iedere regio zijn eigen netnummer heeft dat je moet draaien voor het nummer van de betreffende abonnee.

Aan het eind van de eerste les werden wij getest in het gebruik van het telefoonboek. We moesten het nummer opzoeken van een islamitische slagerij in het nabijgelegen Roermond. De slagerij bleek `Al-magzara al-Islamiyya' te heten, wat in Marokkaans dialect inderdaad `islamitische slagerij' is, maar in het klassiek Arabisch `islamitisch bloedbad' betekent. Ik moest meteen denken aan de slachtingen die plaatshebben in vele Arabische landen, waaronder mijn eigen land Soedan.

Omdat ik het centrum kort daarop verliet om `bij een vriend te gaan wonen', moest ik de cursus na de eerste les onderbreken. Van mijn collega-asielzoekers hoorde ik dat zij in de daaropvolgende lessen werden onderwezen in het gebruik van een toilet en het aan-en-uit-doen van elektrische verlichting. Pas in een gevorderd stadium kwamen meer ingewikkelde en belangwekkende zaken aan bod zoals het zoeken naar werk en het Nederlandse systeem van onderwijs, ziekteverzekering en sociale zekerheid.

Een berucht boek in de bibliotheek van het AZC is getiteld Act Normal! 99 Tips on How to Deal with the Dutch. Of dat zo bedoeld is weet ik niet, maar het getal 99 herinnert ons moslims aan de 99 namen van God, welke de belangrijkste van Zijn superieure kwaliteiten omschrijven. De auteur kijkt je vanaf de achterflap spijtig aan, alsof hij wil zeggen: `Sorry mensen, zo is het nu eenmaal!' Het boek leert ons dat Nederlanders altijd eerlijk zijn en zich altijd aan hun afspraken houden (tip 4 and 43) en dat het in Nederland niet gebruikelijk is om cadeautjes aan je baas te geven (tip 55). Ook wordt er uitgebreid ingegaan op de kwestie hoe men zich in Nederland dient te gedragen wanneer men betrapt wordt op stelen (tips 71-4).

Opmerkelijk is ook tip 35, die de immigrant bezweert nooit te denken dat Nederlanders onvoorspelbaar zijn. De Nederlander handelt namelijk altijd volgens de regels, dus als je de Nederlander wilt begrijpen hoef je slechts de regels te kennen. De praktijk van de asielzoekersprocedure maakt het voor de asielzoeker lastig aan tip 35 geloof te hechten. Alle asielzoekers zijn het er over eens dat de beslissingen in deze procedure volkomen willekeurig zijn. De procedure wordt vaak `de loterij' genoemd. Het enige wat je kan doen is geduld oefenen en bereid zijn om heel lang te wachten, en het is volstrekt nutteloos om te proberen de logica van de genomen beslissingen te achterhalen. De een wordt na enkele weken als vluchteling erkend, terwijl een ander met precies hetzelfde verhaal daar jarenlang op moet wachten. Een bekende politieke activist wordt asiel geweigerd, terwijl een ander die zich nooit met politiek heeft ingelaten, de asielstatus wordt toegekend. Niemand verwondert zich over zulke zaken, die pas wonderlijk worden wanneer je hoort dat Nederlanders zich altijd volgens regels gedragen.

Het duurt vaak ook nog jaren voordat de beslissingen genomen worden. Duizenden asielzoekers moeten eindeloos wachten en slepen zich jarenlang door reeksen negatieve beslissingen en beroepsprocedures. Een van hem stelde zich aan mij voor met: `Ik heet Ahmad, ik ben 35 jaar oud, ingenieur, getrouwd en heb drie kinderen en twee negatieve beslissingen.'

Gedurende negen maanden in asielzoekerscentra heb ik slechts twee personen gekend aan wie de A-status werd toegekend. De een was een bekende voetballer uit Irak, waar Saddam Husseins zoon Uday na een verloren wedstrijd persoonlijk de spelers afrost. De ander was een jonge Soedanees die weigerde om te vertellen met welk verhaal hij in een recordtijd van veertig dagen de begeerde status verwierf. Het gerucht deed de ronde dat hij op de campus van de universiteit van Khartoum betrapt was op het kussen van een meisje, wat hem op een grote hoeveelheid zweepslagen was komen te staan.

Een opmerkelijk verhaal is dat van Tariq al-Haq, een vooraanstaande Soedanese politiek activist van wie iedereen wist dat hij na zijn arrestatie ernstig gemarteld was. Na zijn vrijlating zag hij kans om naar Nederland te vluchten terwijl zijn politieke vrienden opnieuw tot lange celstraffen veroordeeld werden. Het verhaal was in al zijn details bekend uit de Arabische pers, maar Tariq werd na vier achtereenvolgende beroepsprocedures asiel geweigerd. Hij zit nu geduldig in Nijmegen zijn Nederlanse lessen te leren en te wachten op de uitslag van zijn vijfde beroepsprocedure.

Deze vertwijfeling over de asielzoekersprocedure lijkt overigens weinig invloed te hebben op het beeld dat de asielzoeker heeft van de Nederlandse bevolking. Gaandeweg leerde ik dat de meerderheid van de asielzoekers het er over eens is dat de Nederlanders vriendelijke, goedhartige en enigszins naïeve mensen zijn. De enige Nederlanders die deze kwaliteiten niet delen zijn de ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), die over het algemeen gezien worden als gemeen, achterdochtig en vol valse streken.

Ook bestaat er een grote vrees voor de computer van deze ambtenaar, die hij altijd klakkeloos zal geloven terwijl hij de asielzoeker in principe als een leugenaar beschouwt. Als iets eenmaal in dat apparaat zit, zo luidt de algemene opvatting, dan kan dat er nooit meer uit, of het nou waar is of niet, je kunt het maar beter zelf ook als de waarheid gaan beschouwen, waaraan je vervolgens je verhaal aanpast.

De achterdocht van de IND-ambtenaren is natuurlijk goed te begrijpen: veel asielzoekers liegen inderdaad dat de stukken er af vliegen en de arme ambtenaar ziet zich geplaatst voor de bijna onmogelijke taak om echt van nep te onderscheiden. Maar een dergelijke filosofische beschouwingswijze is moeilijk te handhaven wanneer je tegenover deze ambtenaar zit, die hardnekkig weigert om je als een mens te behandelen en er zijn beroepseer lijkt in te leggen om het je zo moeilijk mogelijk te maken.

De dag waarop het belangrijkste interview met de IND-ambtenaar plaatsheeft is een van de meest gevreesde dagen uit het asielzoekersbestaan. `De dag van het uitwringen', heet het onder ons in Soedanees-Arabisch. Na het interview vragen wij het slachtoffer medelevend: `Ik hoop dat ze je niet al te hard hebben uitgewrongen?' Velen worden vóór het interview onderworpen aan een soort simulatiespel waarbij ervaren asielzoekers de rol van IND-ambtenaar spelen en allerlei lastige vragen op de kandidaat afvuren. Toen het op een koude septemberochtend mijn beurt was om te worden uitgewrongen, was ik nerveus maar ook verheugd dat ik eindelijk mijn verhaal zou kunnen vertellen.

Vertaling Michel Hoebink