Banken: als het maar beweegt

Wie belegt er nog in banken? Zowel in de Verenigde Staten als op het continent bleven aandelen van financiële instellingen in 1999 zo'n vijf procent achter bij de rest van de markt. Toch was er tot nu toe genoeg te verdienen, als de belegger zich maar had gehouden aan één adagium: koop alles wat beweegt. Of op het punt staat te bewegen.

Conjunctureel staan banken op dit moment een beetje stil. De economie beweegt zich in hun voordeel, de rente beweegt zich in hun nadeel. De meeste banken en verzekeraars zijn meesters in het gladstrijken van hun resultaten, waar grote verrassingen meestal uitblijven. Alleen hun activiteiten op de financiële markten hebben pieken en dalen in de winst die wat moeilijker te verhullen zijn. De resultaten die vrijkwamen over het derde kwartaal waren goed, maar hebben het probleem dat ze zich laten vergelijken met de resultaten van een jaar geleden. En toen werden er behoorlijke stroppen geleden op de financiële markten.

Beleggers in financiële instellingen hebben zich dit jaar op andere aanwijzingen moeten richten. En de belangrijkste daarvan liggen op het strategische vlak. In de Verenigde Staten werd vorige week duidelijk dat het Congres de scheiding tussen effectenbankieren, retail-bankieren en verzekeren opheft. De oude Glass-Steagall Act, die dat tot nu toe verbood, is spoedig verleden tijd. Nu hadden sommige banken daar al een voorschot op genomen - Citibank nam verzekeraar Travelers vorig jaar al over in de verwachting dat het bankverzekeren binnenkort zou mogen, en JP Morgan had al een ontheffing om zich met effectentransacties bezig te houden - maar de reactie op het nieuws was toch nog fors. In de aanloop naar het besluit en gedurende deze week schoten bankaandelen in de VS omhoog. Sinds half oktober is de Dow Jones Financials-index met zo'n vijftien procent gestegen. De reden is niet zozeer dat de winstvooruitzichten zoveel beter worden nu de grenzen tussen de verschillende financiële activiteiten wegvallen. De reden is eerder dat er een nieuw spel losbreekt van fusies en overnames om zich aan de nieuwe markt aan te passen. Iedereen is overnemer of target geworden. En niet alleen ten opzichte van Amerikaanse instellingen zelf, maar ook van Europese.

Ook in Europa vallen de grenzen weg, maar niet tussen bankieren en verzekeren. Die grenzen zijn er of nooit geweest (Frankrijk) of ze zijn weggehaald (Nederland). de nieuwe strijd gaat hier om het wegvallen van de nationale grenzen.

Totnutoe heeft de concentratie onder Europese banken zich vooral langs nationale lijnen voltrokken. Dat proces zal in veel landen nog wel even doorgaan: eerst worden er nationale kampioenen gekweekt, die sterk genoeg zijn om op zijn minst gelijkwaardig een grensoverschrijdende fusie met een andere EU-bank of verzekeraar aan te gaan. In Nederland is dat proces al voltooid, en is de brug naar België geslagen door zowel Fortis als ING. Maar in de meeste andere landen is de concentratie nog bijna volledig gericht op nationale concentratie. Daar was dit jaar dan ook de actie.

Wie de grootste beursstijgers in Europa op een rijtje zet, komt dan ook uit op de `alles-wat-beweegt'-strategie. Het Franse CCF, dat een overduidelijk `target' is, steeg dit jaar met 37,1 procent. Société Générale, dat sinds de overname van Paribas door Banque Nationale de Paris te boek staat als prooi, steeg met 44,8 procent. Ook BNP, de overnemer van Paribas, deed het goed, met een koersstijging van 15 procent. Bij de grote verzekeraars schittert de overgenomen Italiaanse verzekeringsgigant INA met een koerswinst van 28,9 procent.

Aan de andere grote stijgers is te zien wie er allemaal te boek staan als speler in de eerstvolgende consolidatieronde. Dat zijn vooral de Duitse banken. Deutsche Bank steeg totnutoe met 36,3 procent dit jaar, Dresdner - dat actief op zoek is naar een partner - met 33,6 procent en Commerzbank met 33,2 procent.

Dat is begrijpelijk, omdat ondanks de ogenschijnlijke macht van de grote drie in Duitsland, de Duitse markt gefragmenteerd is. De Landesbanken en Sparkassen werken met overheidsgaranties en houden zo de retailmarkt in hun greep. De grote Duitse drie móeten iets, en de beleggers ruiken dat.

Dat maakt het omineus dat tussen al deze grote stijgers ook de naam van ABN Amro prijkt. ING steeg dit jaar met zo'n acht procent. Aegon daalde alleen maar, en Fortis moest ook met tien procent terug. Maar ABN Amro is met 28,2 procent omhooggeschoten.

De koersstijging van ABN Amro is voor een deel terug te voeren op een herstel van de koersval ten tijde van de internationale financiële crisis van vorig jaar. Tussen augustus en oktober halveerde toen de koers van 24 euro naar 12 euro. Maar dat gebeurde ook met ING, dat sindsdien zijn oude niveau niet meer heeft gehaald en daar nog steeds 20 procent onder zit. ABN Amro zit al weer vlak bij zijn koerspiek.

Voor een partner is de bank bijna te mooi om waar te zijn. De strategische waarde van de bank is groot. Niet dat ABN Amro een willoos overnamedoel is, daarvoor is de bank te goed beschermd. Maar ABN Amro, een nog vrijwel volbloed bank met een uitstekende reputatie en grote belangen in de Verenigde Staten, is wel zeer aantrekkelijk.

Het aantal malen dat er de afgelopen jaren is gespeculeerd op samenwerking met een grote Duitse rivaal is al ontelbaar. Wie weet zit er binnenkort wel wat grensoverschrijdends in de lucht.