Wil u een stekkie van de fuchsia

De televisieserie `Ja zuster, nee zuster' is een mythe geworden. Nu is er een koffer met liedjes en teksten. Gelukkig maar dat de beelden verdwenen zijn.

Er was eens, lang geleden, een immens populaire televisieserie van de VARA. Slechts één aflevering per maand telde hij, veertig minuten op de zaterdagmiddag om 5 uur. Maar hij was al snel na de eerste uitzending op 3 september 1966 legendarisch, zodat niemand meer weet, dat die serie slechts twintig delen groot was. Hij werd uitgesmeerd over twee jaar, inclusief twee zomerstops, een van zes maanden en een van vier.

Iedereen keek ernaar, de kinderen tot een jaar of 14 voor wie deze `kindermusical' bedoeld was, en hun grote broers, hun ouders, hun zwemmeesters en hun pianojuffen. Afspraken werden verzet, verplichtingen uitgesteld. Het schijnt zelfs stil geweest te zijn buiten, maar dat weet ik niet, want wij zaten ook binnen bij de televisie.

Ja zuster, nee zuster heette de serie en het draaide allemaal om `een rusthuis vol herrie', met luidruchtige kostgangers en een kwaaie huisbaas annex buurman. Tot op vandaag wordt er door een breed publiek met liefde over nagepraat. En met eerbied.

En in het wilde weg.

Want niemand weet waar hij het over heeft. Ja zuster, nee zuster is na de laatste uitzending op 7 september 1968 nooit herhaald, afgezien van een feestelijke compilatie op 24 december van datzelfde jaar.

Toch gaat het Ja zuster, nee zuster al ruim dertig jaar goed. De serie voer wel bij de gestaag groeiende adoratie voor Annie M.G. Schmidt (1911-1995), schrijfster van de serie; en meer nog bij het feit dat niemand kan controleren wat het programma nu eigenlijk waard is geweest, want het beeldmateriaal ging verloren.

Alleen enkele liedjes uit Ja zuster, nee zuster bleven ruim bekend. Hun tekst en hun muziek werden als tophits afgezonken in ons geheugen: De kat van Ome Willem (`hij geeft kopjes op zijn frans'), Mijn opa (`niemand zo aardig als hij') en In een rijtuigie (`helemaal naar Vinkeveen'), het zijn ook nu nog prachtige nummers. Tekst en muziek draaien om elkaar heen, ze haken in, ze laten de stemmen dansen. `Opa' rijmt op `Europa' en het arrangement springt op de schouders van de woorden voor een wild kinderspel.

Vier elpee's met 58 nummers leverde Ja zuster, nee zuster op, maar wie heeft er nog een grammofoon? Later kwamen er twee cd's uit, even summier als arbitrair van selectie. Nu zakten zelfs die liedjes, controleerbaar van grote kwaliteit, weg in het drijfzand van de mythe: Ja zuster, nee zuster, o ja, dat was geweldig. Hetty Blok als Zuster Klivia, met dat Groningse accent. En weet je nog, Leen Jongewaard als Gerrit, de dief.

Meer niet. Gratis sentiment, toelichting of argument niet nodig.

De schok kwam op de tentoonstelling `Altijd acht gebleven' die het Letterkundig Museum in 1991 inrichtte over Annie M.G. Schmidt en haar werk. Er waren flarden te zien van Ja zuster, nee zuster, blijkbaar was er tòch beeld bewaard gebleven. Het ene liedje, met Leen Jongewaard als bakkersknecht, voldeed aan de verwachting. Het was verouderd, maar geestig vormgegeven, met een galerijflat als decor en het klonk als een klokje. Het andere fragment, een kleine scène die uitliep op een tweede liedje, was een ramp. Slepend in beeld gebracht amateuristisch gedoe van zogenaamd lollige acteurs in een parkje. Het werd gevolgd door een tuttig geënsceneerd nummer in een roeiboot, terwijl het liedje gaat over een hemelsblauwe kat.

Hoe kan dat nou?

Dat is nu ten dele te achterhalen, dankzij een door Frits Visser gevuld kartonnen koffertje, begerenswaardig mooi vormgegeven door Paul Koeleman. Het ziet eruit als een draagbaar tévé-tje van vroeger, toen kleur nog zwart en wit was. Op het beeldscherm zien we de gezichten van zuster Klivia en Gerrit. Binnenin zitten uitdagend snerpend vormgegeven cd's met alle liedjes en een volledig liedboek met tekst en muziek daarvan. Cd's en boek bevestigen wat al duidelijk was: de betreurde, vorige week overleden componist Harry Bannink en Annie Schmidt hebben elkaar geïnspireerd en opgezweept, met superieur materiaal als resultaat. Uitgelaten, melancholiek, dromerig en steeds heel hollands zijn de liedjes, met vaak een miniverhaaltje als inhoud. De eerste maten van `wil u een stekkie van de fuchsia' ontleende Bannink aan `When I'm 64' van The Beatles. Tot het nummer `Twips' werd Schmidt geïnspireerd door een vergeten hippe dans van toen, de `Ploem ploem jenka' van Trea Dobbs. Wie de cd's beluistert ziet weer eens hoe nadrukkelijk Bannink en Schmidt hun liedjes verknoopten met de acteurs of actrices voor wie ze schreven. Bannink hield zich aan specifieke mogelijkheden van hun stemmen, Schmidt moet ze gezíen hebben terwijl ze haar teksten schreef, zo precies past het. Beiden voegden zich met overgave naar het temperament en de uitstraling van Blok en Jongewaard, maar ook naar de vileine Dick Swidde als de boze buurman (uitmuntend in `Geld, alles kun je doen met geld') of gastacteur Hans Boskamp (in `Stroei Voei', een `Grieks' nummer met plat Amsterdamse tongval).

Onthullender is het tekstboek, dat ook in het koffertje zit, al geeft het helaas niet de oorspronkelijke scripts te lezen. Tien afleveringen zijn recent gemaakte samenvattingen met hier en daar een citaat, tien andere werden overgenomen uit een boekje uit 1967 waarvoor Schmidt zelf jazusterneezuster-scripts herschreef tot verhaaltjes. Ook Schmidt kreeg maar weinig fleur in het rusthuis waar iedereen `doet wat hij het liefste doet', blijkt uit die verhaaltjes. Een minieme gebeurtenis werd onverantwoord breedvoerig opgezet, meestal botweg verder geholpen met een knal van `de ingenieur', en altijd weer dwars gezeten door het chagrijn van `buurman Boordevol'. Inhoudelijk schiet het niet op en gaat het nergens naar toe, omdat de toch al kleine geschiedenisjes rammelen. Ze missen de stevige structuur van Schmidts kinderromans als Otje of Minoes. Voor Ja zuster, nee zuster leunde Schmidt voluit op haar vermogen tot dialogen schrijven, met mooie scheldwoorden als `sluipwesp!', en met onbekommerd over en weer reageren, liefst van de kouwe grond.

In zijn rafeligheid blijkt Ja zuster, nee zuster het meest bij Schmidts theatermusicals te horen: het recent hernomen Heerlijk duurt het langst blonk ook niet uit door een ingenieus verhaalverloop; er moest in worden geschrapt om er vaart in te krijgen en het verhaal af te ronden. Maar haar dialogen waren nog altijd scherp en to the point.

Een echte musical was Ja zuster, nee zuster toch niet. Hoewel de cast versterkt was met twee dansers (John Kuipers en Barry Stevens) en een ballerina (Carla Lipp als Jet, de pruikenmaakster) uit de gelederen van het toen nieuwe Heerlijk duurt het langst, kwam er weinig van dansjes, zodat met name de twee jongensrollen weinig tot niet werden ingevuld. De liedjes hielpen nooit het verhaalverloop vooruit en zo'n liedje viel plompverloren het verhaal binnen, doordat iemand zei: ,,Laten we liever een lied aanheffen,' of ,,We kunnen gewoon een liedje zingen, dat helpt altijd'.

Wat veel goed maakt is Schmidts groeiende neiging tot schuine toespelingen. Die is destijds niet alleen de kinderkijkers boven de pet gegaan. Nooit heb ik iemand horen meesmuilen over de onvervalste nichtengein in de aflevering met Albert Mol als gastacteur. Of over een trouwgrage parapluverkoper (Ko van Dijk) die zich beklaagt over wat hij sinds de dood van zijn vrouw moet missen: ,,die deed 'm d'rin en d'ruit, de hele dag dat het een lust was...' – en dan heeft hij het over een opvouwbare paraplu.

Het is goed dat het bewegend beeld van Ja zuster, nee zuster vernietigd is. Wie wil terugdenken ziet niets concreets, hooguit hoort hij een lied. Hij denkt het zijne bij de honderden ontroerende scènefoto's en hij voelt van alles. Als vaker in haar carrière gaf Schmidt de indruk van `lekker stout' zijn, terwijl haar werk in feite volmaakt beantwoordde aan een lieftallig burgerlijke hang naar aardig en gezellig. In de tweede helft van de jaren zestig, toen de maatschappij drastischer veranderde dan menigeen aankon, was dat heerlijk. De nostalgie heeft daar het zijne aan toegevoegd: wat wisten we weinig, wat konden we nog onverkort genieten van mooie liedjes.

De mythe van Ja zuster, nee zuster zegt veel. Ooit, lang geleden en niet ver van hier, was er een tijd dat we met zijn allen hielden van Ja Zuster, nee zuster. Die tijd is voorgoed voorbij, maar wat is het heerlijk dat hij echt heeft bestaan.

Ja zuster, nee zuster, koffertje met drie cd's (w.o. een karaoke-versie van een aantal liedjes), twee boeken (240 pag. en 192 pag). Samenstelling Frits Visser. Uitg. Nijgh & Van Ditmar. Prijs ƒ149,-