Weer terug bij af

``Cambodjanen zijn allemaal stoute jongetjes – en dat geldt ook voor mij', vertrouwde koning Norodom Sihanouk van Cambodja de toenmalige Australische minister van Buitenlandse Zaken Garath Evans ooit toe. `Stout' was de even grillige als scherpzinnige koning zeker in Amerikaanse ogen, toen hij in de jaren na de succesvolle afronding van zijn `Koninklijke kruistocht voor onafhankelijkheid' in 1953 hardnekkig bleef weigeren de Cambodjaanse `neutraliteit' in te ruilen voor Amerikaanse overheersing. Washington, geobsedeerd door het communistische gevaar uit Noord-Vietnam, maakte buurlanden Thailand en Zuid-Vietnam tot vazalstaten, maar Sihanouk wilde zich tot groeiende Amerikaanse irritatie niet laten gebruiken als pion op het Indochinese schaakbord van de Koude Oorlog.

In maart 1955 deed Sihanouk afstand van de troon en richtte hij de Sangkum Reastr Niyum op, de Socialistische Gemeenschap van het Volk. Door die manoeuvre stelde hij zichzelf in staat zijn greep op de binnenlandse politieke situatie in Cambodja te versterken. Om beter weerstand te kunnen bieden aan `externe gevaren' – dat wil zeggen: de Amerikaanse dreiging `Cambodja mee te slepen in de strijd tegen het communisme' – legde Sihanouk een jaar later ook zijn functie van premier en minister van Buitenlandse Zaken neer. Die stap had als voordeel, zo schrijft Sihanouk in zijn in 1973 bij Penguin verschenen boek Mijn oorlog met de CIA, dat `ik bevrijd was van de verfoeilijke, bijna dagelijkse bezoeken van (de Amerikaanse) ambassadeur McClintock, een arrogante en uiterst kwalijke persoonlijkheid'.

Gruwelbewind

Met onverbloemde woede herinnert Sihanouk (die zes vrouwen had en veertien kinderen) zich een bezoek dat hij samen met McClintock bracht aan een kraamkliniek, uitgerust met Amerikaanse apparatuur. De Amerikaanse diplomaat geeft hoog op van de kwaliteit en zegt, in aanwezigheid van alle verzamelde diplomaten en de koningin-moeder: ``Ah, prins Sihanouk, dit moet u als een grote eenmansfabrikant van baby's bijzonder interesseren'. ``Ik antwoordde: `Nee, meneer de ambassadeur. Er zullen geen baby's meer zijn. Die hadden misschien nog kunnen komen. Maar ze hebben de verderfelijke geur gesnoven van de uitrusting van het Amerikaanse imperialisme. Ze blijven liever waar ze zijn dan onder zulke omstandigheden te worden geboren'.'

De vroegere hoogleraar Moderne Aziatische geschiedenis Jan Pluvier schreef een standaardwerk over Zuidoost-Azië. Daarin behandelt hij uitvoerig de lotgevallen van Norodom Sihanouk, de ondergang van Cambodja door de burgeroorlog onder de door de VS gesteunde dictator Lon Nol en het daarop volgende gruwelbewind van de Rode Khmer. Aan bod komen de laatste periode van het Europese kolonialisme, het ontluikend nationalisme, de Japanse bezettingstijd, de strijd om onafhankelijkheid en zelfbeschikking na de Tweede Wereldoorlog, het zoeken naar nationale identiteit en politieke opbouw. Ook beschrijft hij de invloed van de Koude Oorlog en de jongste politieke, economische en sociale ontwikkelingen in Indonesië, de Filippijnen, Maleisië, Singapore, Thailand, Birma, Vietnam, Cambodja en Laos.

Pluvier is op schematische wijze te werk gegaan; persoonlijke getuigenissen, zoals die van Sihanouk en andere hoofdrolspelers, en anekdotische beschrijvingen van cruciale gebeurtenissen ontbreken. De auteur heeft dan ook geen meeslepend boek geschreven, wel een omvangrijk en overzichtelijk handboek (inclusief tijdstabellen en uitgebreid literatuuroverzicht) dat de ontwikkelingen in de regio in historisch kader zet.

Toen Sihanouk zijn oorlog tegen de CIA beschreef, moest Cambodja de donkerste periode uit zijn geschiedenis - het bewind van Pol Pot - nog ondergaan. De historicus Pluvier, die in de jaren zestig en zeventig bekendheid verwierf met zijn acties tegen steun aan het Indonesische regime `van rechteloosheid en militaire terreur' onder Soeharto, heeft in het verleden wel het verwijt gekregen te eenzijdig te zijn geweest over de zegeningen van het communisme in Noord-Vietnam en China, en te terughoudend over de Killing Fields in Cambodja. Voor dergelijke relativeringen is geen plaats meer in de moderne geschiedschrijving, en Pluvier heeft er, ook al in eerder verschenen boeken, afstand van genomen als hij bijvoorbeeld spreekt over `volgens ruwe schattingen ongeveer anderhalf tot twee miljoen slachtoffers, waarvan de meerderheid door uitputting en ziekten en de rest door executies'.

Over het hedendaagse Vietnam, waar het communistische regime net als in China de weg van het economisch liberalisme is ingeslagen, schrijft hij, dat de groei heeft geleid tot een stijgende levensstandaard voor 15 à 20 procent van de bevolking. Maar voor de meeste mensen heeft de neoliberale koers vooral negatieve gevolgen: de sociale voorzieningen zijn afgebroken, miljoenen ambtenaren en soldaten zijn hun baan kwijt geraakt, de corruptie tiert welig en er is een diepe welvaartskloof ontstaan tussen stad en platteland.

Koude Oorlog

Deze bittere waarneming raakt het overheersende thema in het boek van Pluvier, namelijk de vaststelling dat de landen in Zuidoost-Azië, hoewel ontdaan van hun oude koloniale ketenen, nooit echt onafhankelijk zijn geworden. Werd de Aziatische regio ten tijde van de Koude Oorlog onderworpen aan Amerikaans imperialisme in politieke zin, na de Amerikaanse toenadering tot China en met name na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie (en daarmee het wegvallen van steun voor Vietnam) overheerst het economisch imperialisme dat de Zuidoost-Aziatische landen in een keurslijf wringt.

Achteraf kan worden vastgesteld, schrijft Pluvier, dat dat economisch imperialisme – ingegeven door de belangen van het Amerikaanse, het Japanse en het Europese bedrijfsleven, gepredikt door internationale financiële instellingen als het IMF, en slechts voordelen biedend aan een inheemse elite – altijd de belangrijkste drijfveer is geweest. Dat de VS zich in 1995 hebben verzoend met een economisch geliberaliseerd maar politiek communistisch gebleven Vietnam is volgens hem een bewijs dat de Amerikanen (en het Westen) vooral werden geraakt door de `antikapitalistische maatschappijvisie' die uit het communisme spreekt, en zich minder druk maakten (en maken) over het ontbreken van politieke pluriformiteit en democratische vrijheden.

Pluvier beweert daarmee niets nieuws: hij borduurt voort op stellingname in eerder werk uit 1978 (Indonesië; kolonialisme, onafhankelijkheid, neo-kolonialisme) en 1983 (Vietnam, Laos, Cambodja). Nu het jaar 2000 voor de deur staat, en de Aziatische wondereconomieën onderuit zijn gehaald door de financiële crisis, grijpt de inmiddels 72-jarige historicus de kans om de balans op te maken van de afgelopen eeuw. En die valt, zoals de ondertitel van zijn boek `Een eeuw van onvervulde verwachting' al doet vermoeden, niet erg positief uit.

In 1956 verscheen van Jan Romein De Eeuw van Azië, geschreven vanuit de overweging dat Azië `ontwaakt' was en zich had ontdaan van zijn ondergeschikte status van heel of half gekoloniseerde wereld. Ook ik was destijds die mening toegedaan, schrijft Pluvier. Ten onrechte. `Zij is eenzelfde eeuw van het Westen gebleken als de negentiende', weet hij nu. Ook de zogeheten `tijgers' die in de jaren tachtig en negentig spectaculaire economische prestaties lieten zien, hebben zich nooit kunnen bevrijden `van hun ondergeschiktheid aan het door het Westen en Japan beheerste economische bestel'. De exploitatie en de verwerking van de natuurlijke rijkdommen van de regio ten behoeve van westerse en Japanse belangen worden onverminderd voortgezet en door hun economische afhankelijkheid is voor de meeste landen echte politieke zelfstandigheid niet te verwezenlijken gebleken, concludeert Pluvier. `De overgrote meerderheid van de volken van Zuidoost-Azië is er slechter aan toe dan in de koloniale periode.'

Ontnuchterend

Met andere woorden: Zuidoost-Azië is in Pluviers visie in vele opzichten `weer terug bij af'. Dat is een stelling die ongetwijfeld zal worden onderschreven door de Maleisische premier Mahathir Mohamad, de Aziatische leider die zich de afgelopen jaren het luidruchtigst heeft gemanifesteerd als verdediger van `Aziatische waarden' tegenover Westerse overheersing. Afgelopen maand nog, tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York, bracht Mahathir zijn cynisme onder woorden. Volgens hem ziet de 21ste eeuw er voor de armen en de zwakken, voor de ambitieuze tijgers en draken van Azië niet erg veelbelovend uit. ``Alles zal worden bedisseld in het Westen. En wat uit het Westen komt, is universeel. Andere waarden en culturen zijn overbodig en onnodig. De globale wereld zal volledig gelijkgeschakeld zijn.'

Wat voor Mahathir geldt, gaat in zekere zin ook voor Pluvier op: veel van zijn uitspraken zijn zo zwart/wit en zo vaak herhaald, dat ze weinig verrassend meer zijn. Interessanter is om te zien hoe Mahathirs experiment van een eigen antwoord op de Aziatische crisis – door onder andere tijdelijk de uitvoer van kapitaal aan banden te leggen in afwijking van de receptuur van het IMF – uiteindelijk afloopt.

Wat Pluviers overzichtsboek waardevol maakt, is de uitputtende inventarisatie van de gebeurtenissen in de verschillende landen in de afgelopen honderd jaar – de concrete bouwstenen die hij aandraagt om de moderne Zuidoost-Aziatische geschiedenis van zijn interpretatie te voorzien. Hoe men de feiten in retrospectief ook rangschikt, de uitkomst blijft ontnuchterend: daarvoor zijn er te veel voorbeelden aan te wijzen van politiek opportunisme, sociale onderdrukking, zelfverrijking, economisch wanbeheer en bestuurlijk despotisme en onvermogen die de ontwikkelingsgang van de Aziatische landen de afgelopen decennia hebben gekleurd. Het is onzin te beweren dat alles de schuld is geweest van de Amerikanen. En het is te gemakkelijk om te doen alsof er de afgelopen jaren helemaal niets is veranderd in de internationale betrekkingen. Dat Een eeuw van onvervulde verwachtingen geen vrolijk boek is geworden, is niet de schuld van Pluvier.

Jan Pluvier: Zuidoost-Azie - Een eeuw van onvervulde verwachtingen. De Geus, 589 blz. ƒ69,90