Walser

Het is mij een raadsel hoe Anneriek de Jong Martin Walser `een meester van de behoedzaamheid' kan noemen (Boeken 24.9.99). Vanaf de jaren zestig heeft deze schrijver zich als een kameleon aangepast aan de eisen van zijn tijd. Dit blijkt uit zijn veranderde opvatting over de plicht de shoah te herinneren.

In Auschwitz und kein Ende (1979) verklaarde hij nog zichzelf ertoe te moeten dwingen naar beelden van de jodenvernietiging te kijken, om `toerekeningsvatbaar te zijn'. In zijn rede in de Paulskirche (11.10.1998) bekende hij het hoofd inmiddels af te wenden bij beelden uit het concentratiekamp. Walsers verklaring voor zijn geperverteerde vorm van herinneren getuigt noch van fijnzinnigheid, noch van overtuigingskracht. Behoedzaamheid is evenmin te bespeuren waar Walser meent zijn Friedenspreis-rede te moeten gebruiken om critici van zijn roman Ein springender Brunnen van repliek te dienen. Het gekozen perspectief van een onschuldig jongetje zou een afdoende verklaring zijn voor het ontbreken van iedere verwijzing naar het verderop gelegen Dachau. Het actuele moreel-politieke effect van deze literaire kunstgreep wordt daarbij door hem bewust buiten beschouwing gelaten. Walser is het blijkbaar genoeg een `waarheidsgetrouwe' weergave te hebben geboden en hij verwijst naar de mensen uit zijn directe omgeving die destijds nu eenmaal niet beter wisten. In het gesprek met Ignatz Bubis (12.12.1998) wenste hij in geen enkel opzicht terug te komen op de wijze waarop hij zich had uitgedrukt over de omgang met het verleden; hij kon zich daarbij verzekerd weten van steun uit brede lagen van de bevolking.