Verzekeraar moet thuiszorg regelen

Zorgverzekeraars hebben de plicht verzekerden binnen een redelijke termijn te voorzien van thuiszorg of een plaats in een verzorgings- of verpleeghuis. De staat is hiervoor niet aansprakelijk.

Dat blijkt uit een uitspraak die de president van de rechtbank van Utrecht vanmorgen deed in een kort geding dat de Groningse advocaat A. Wijnberg namens vier bejaarde vrouwen had aangespannen tegen zorgverzekeraar Anova. De vier vrouwen stonden al vijf maanden of langer op de wachtlijst voor thuiszorg. De rechter bepaalde dat Anova de vrouwen binnen een week moet voorzien van de hulp waar zij recht op hebben, op straffe van een dwangsom van honderd gulden per vrouw per dag.

De rechter legt er de nadruk op, dat een kort geding zich er niet voor leent om vast te stellen wat in het algemeen een redelijke termijn is. De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zegt hier evenmin iets over. Volgens de rechter staat vast dat bij de vier vrouwen in kwestie die termijn ,,ruimschoots'' is overschreden.

De uitspraak is van groot belang voor iedereen die op een wachtlijst staat voor zorg die wordt bekostigd uit de AWBZ. Dit betreft ongeveer 23.000 mensen die wachten op thuiszorg, 8.000 mensen die wachten op een plaats in een verpleeghuis en 20.000 die wachten op een plaats in een verzorgingshuis.

Zij kunnen voortaan hun recht op tijdige zorg doen gelden bij het zorgkantoor in hun regio, dat wil zeggen de verzekeraar die door de overheid is aangewezen om de AWBZ uit te voeren. ,,Iedereen kan met dit vonnis in de hand zeggen: Ik ook'', aldus Wijnberg.

De uitspraak is opvallend omdat zowel Wijnberg als de advocaat van Anova voor de rechter had betoogd dat niet de verzekeraar maar de staat in eerste instantie aansprakelijk is als mensen te lang moeten wachten. Zo voerde Anova aan niet genoeg geld te hebben gekregen van de staat om aan zijn verplichtingen te voldoen. Volgens de rechter zou nog onderzoek nodig zijn om vast te stellen of dit zo is, maar zelfs al zou het zo zijn, aldus de rechter, dan mag dit ,,niet worden afgewenteld op degenen die de zorg nodig hebben''.

Wijnberg was eveneens van mening dat de overheid meer geld moest geven. Namens enkele andere patiënten op wachtlijsten klaagde hij daarom eind vorig jaar de staat aan. In die zaak, die diende voor de Haagse rechtbank, bepaalde de rechter ook al dat niet de staat, maar het zorgkantoor en de thuiszorginstelling aansprakelijk zijn. Wijnberg ging tegen deze uitspraak in hoger beroep en spande in afwachting daarvan in Utrecht voor de vorm het geding tegen Anova aan. De Utrechtse rechter legt de aansprakelijkheid nu echter ondubbelzinning bij het zorgkantoor.

,,Een uitstekend gemotiveerd, goed te volgen vonnis'', zegt Wijnberg. De zaak tegen de staat zet hij niettemin voort. ,,De president heeft ook gezegd dat de staat medeverantwoordelijkheid heeft. Dat kunnen we dan via die zaak goed afbakenen.'' Zorgverzekeraars Nederland, de overkoepelende organisatie van zorgverzekeraars, gaat zich beraden op eventuele juridische stappen tegen de staat. Woordvoerder Walter Annard: ,,Onze stelling is altijd geweest dat wij alleen een inspanningsverplichting hebben jegens de AWBZ-verzekerden. Een resultaatsverplichting verhoudt zich niet met een overheid die de middelen verstrekt.'' Beleidsmedewerker J. Nooren betreurt het dat de rechter niet duidelijk heeft gemaakt wat een ,,redelijke termijn'' is voor mensen op een wachtlijst. ,,De thuiszorginstellingen beslissen voor wie de hulp het meest urgent is. In het algemeen geven ze mensen die lichaamsverzorging nodig hebben voorrang boven mensen die huishoudelijke hulp nodig hebben. De rechter stelt nu dat iemand ook niet `te lang' op de wachtlijst mag staan. Dan krijg je dat naast urgentie ook `duur' een criterium wordt. Maar wat `te lang' is weet niemand.''