Venetië bestaat niet

Het `eiland-gevoel' is een begrip dat voor niemand die ooit Cuba bezocht erna nog dezelfde connotaties zal hebben. Nergens als op Cuba is het besef zo aanwezig in de volksaard dat, hoever je ook loopt, je uiteindelijk stuit op een zee die voor je ligt als een niemandsland vol beloften en vooral gevaren.

Abilio Estévez, geboren in 1954 en nog steeds woonachtig in Havana, onderstreept in zijn debuutroman expliciet dat je als buitenstaander weet kunt hebben van dat gevoel, maar het nooit zo zult beleven als de eilander zelf. `Je moet op een Eiland wonen, ja, het is nodig om iedere ochtend bij het wakker worden de zee te zien, die muur van zee, de horizon als dreiging en beloofde land, om te weten wat het inhoudt.'

Het Eiland in zijn boek is niet Cuba, alhoewel het wel op Cuba lígt. Is het dan een metafoor voor Cuba? Het heeft er alle schijn van, maar ook dat kun je niet echt zeggen; het is in de meest letterlijke zin in dit boek een wijkje van een paar huizen vlak buiten Havana, met enkele bewoners, een massa tropische fruitbomen, een fontein, en wat beelden die door Chavito, een van de bewoners zijn nagemaakt van illustere Europese voorbeelden. Daarbuiten, daar ligt het Hier en nog verderop het Ginder, maar dat is helaas praktisch onbegaanbaar. Als het niet regent staat het op het punt te regenen en is dat ook niet het geval, dan is het doorgaans net opgehouden met regenen.

De bewoners

De bewoners van het Eiland besteden een groot deel van hun tijd met dagdromen over andere landen en andere tijden. Er is Mercedes die ervan droomt een heldin uit een Russische roman te zijn, en haar tweelingzus Marta, die God smeekt om haar naar Florence te laten gaan. `Het gaat er natuurlijk niet om dat Marta echt naar Florence wil gaan, maar dat ze over Florence wil dromen,' verduidelijkt de auteur. En hij stelt tegenover Marta Melissa, die altijd volhoudt dat de wereld een verzinsel is van Marta, `dat Venetië niet bestaat, dat Wenen niet bestaat, en Brussel, Praag, Barcelona en Parijs ook niet.' De wereld is slechts wat we kunnen zien, houdt ze vol, en valt dus samen met het Eiland. Waarom zou je je illusies maken? Liever dan dat loopt ze naakt rond op, inderdaad, dat wat ze met haar eigen ogen kan zien, het platte dak van haar eigen huis waar ze dikwijls door een van de mannelijke bewoners wordt gadegeslagen.

En dan is er natuurlijk nog de homofiele boekhandelaar oom Rolo, die als hij de slaap niet kan vatten hoofdstuk 12 van Huysmans' A Rebours herleest, waarin Des Esseintes een reis naar Londen maakt zonder Parijs te verlaten.

Een verhaallijn is er niet, al lijkt zich iets in die zin te gaan ontwikkelen als er een gewonde jongen wordt gevonden, wiens lichaam in de Cubaanse vlag is gewikkeld. Zijn wonden blijken met pijl en boog te zijn veroorzaakt. Maar hij verdwijnt even terloops van het Eiland als hij er is terechtgekomen.

`In dit boek doet de tijd er weinig toe', schrijft Estévez, en alsof hij het de lezer niet al genoeg duidelijk maakt wrijft hij zijn personages ook kwasi-bestraffend onder de neus dat `de verbeelding per slot van rekening grootser is dan de werkelijkheid'. Maar net als de lezer die op zoek is naar aanknopingspunten met het reëel bestaande Cuba de hoop heeft opgegeven, wordt er een tijdsaanduiding gegeven: we lezen dan dat de brand die het Eiland verwoest, met al zijn beelden, op 31 december 1958, samenvalt met het moment dat dictator Fulgencio Batista met zijn familie en zijn geld naar de Dominicaanse Republiek vluchtte. Met het begin van de Cubaanse revolutie kortom, die een maatschappij zou stichten, een realiteit, die in deze rijke roman zeer ver op een afstand wordt gehouden.

In de uiteindelijke vormgeving van Eiland van de eeuwigheid lijkt Estévez al te worstelen met het probleem hoe zijn boek in eigen land gepubliceerd te krijgen. Een sleutelpassage vinden we wat dat betreft tegen het eind, wanneer een van de bewoners de metaforische brand bijna aan de historische werkelijkheid lijkt te koppelen: `en ik stelde me voor hoe verheugd de goden zouden zijn over het offer dat hun bij die jaarwisseling van 1958 naar 1959 werd gebracht, en ik was zo onnozel te denken dat dat voldoende bezwering zou zijn, dat de komende jaren zouden overvloeien van rust en voorspoed.' Hij bedenkt hoe hij iedereen had willen toespreken dat dit een `signaal voor een Gelukkig Nieuw Leven' zou wezen, maar met een beroep op Trollope houdt hij zich nog eens voor dat het `altijd gevaarlijk is te schrijven vanuit het perspectief van een `ik'.'

Uitspatting

Dit boek is een product van de innere Migration van een groot talent dat, gegeven de plaats en de tijd waarin hij leeft, zijn ontwikkeling heeft gezocht in de tradities van esthetiek en fabulisme. Estévez' boek zou je een indrukwekkend product van die tijd en plaats kunnen noemen, als dat niet tegelijkertijd veel te deterministisch zou klinken. Want het is vooral een product van een wilde creatieve geest die zijn spel met spiegels en dromen zo overtuigend speelt dat het, hoe hermetisch soms ook, tegelijk gelezen kan worden als een superieur commentaar op het huidige Cuba. Het zal dan ook zeer intrigerend zijn om te volgen hoe het talent van Estévez zich onder vrijere omstandigheden zal ontwikkelen.

De innere Migration van Estévez is bij een andere Cubaanse schrijver, Zoé Valdés, overbodig geworden: zij heeft die migratie fysiek gemaakt toen zij het land ontvluchtte. En daarmee is haar literaire productie zo ongeveer omgeslagen in het tegendeel: een uitspatting van nauwelijks gecontroleerde expressie. Valdés leeft nu in Parijs, waar ze is binnengehaald als de nieuwe ster van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Haar vorige roman La nada cotidiana vond ik een monument van aanstellerij en haar nieuwe boek roept, ondanks een aardig begin, niet opvallend veel positiever gevoelens op.

Ik gaf je mijn hele leven is het verhaal van Cuca Martinez die geboren wordt in Santa Clara maar als meisje naar Havana verhuist. Daar ontmoet ze Juan, die de man van haar leven zal worden en van wie ze een dochtertje krijgt. Het is, als gezegd, een hoopvol begin met beschrijvingen van het pre-revolutionaire Havana: `de stad met haar warme, o zo zoete nachten (...) af en toe een windvlaag van zee, de dampgolven van soep of Baskische tortilla met worst', maar ook: de stad van `de oplichters, die met hun gegomde haren en hun vasthoudende lachje te koop lopen, de jongedames en de lichtekooien, die ruziemaken over aanzien en rijk worden.' Maar dan breekt de revolutie uit en verdwijnt deze Juan halsoverkop met achterlating van één dollar die ze goed moet bewaren.

Gebabbel

Hoe dat verder gaat laat ik hier in het midden. Belangrijker is dat een van de sleutels tot deze roman op pagina 55 ligt, waar een `kerel met strengzoete gelaatstrekken' wordt beschreven `met Chinese trekken, hij kwam een beetje klein over maar dat was hij niet echt.' De vrouwelijke hoofdpersoon slaat geen acht op hem, `had ze het wel gedaan gedaan, dan zat ze nu misschien in Londen, getrouwd met een geweldige schrijver in ballingschap.' Die schrijver is natuurlijk Guillermo Cabrera Infante, en hoe sympathiek-vleierig het ook is dat Valdés, zonder zijn naam te noemen, zich schatplichtig aan hem betoont, haar pogingen in zijn voetsporen te treden mislukken grandioos. Waar Infante in zijn hoofdwerk Drie trieste tijgers blijk geeft van een enorme eruditie, die samen met zijn taalvirtuositeit tot een boek als een ontdekkingsreis hebben geleid, blijft het bij Valdés associatief gebabbel dat uiteindelijk alleen maar ergernis oproept.

Valdés lijdt aan wat ik maar een literaire vorm zal noemen van gebrekkige impulsbeheersing. Het is hier en daar nauwelijks meer dan het postmoderne gebabbel van een verwende tiener, gebaseerd op de oppervlakkige impulsen die de westerse cultuur haar aanreikt. Ideetje hier, associatietje daar, een lawine van flauwe woordspelingen, kwebbel kwebbel, en zo rijgen de pagina's zich aaneen. Waar Valdés' faam en status in de Latijns-Amerikaanse literatuur op gebaseerd is, blijft me, ook na dit boek, grotendeels onduidelijk.

Abilio Estévez: Eiland van de eeuwigheid. Uit het Spaans vertaald door Harriet Peteri. De Geus, 431 blz. ƒ49,90 (geb.)

Zoé Valdés: Ik gaf je mijn hele leven. Uit het Spaans vertaald door Barber van de Pol. Meulenhoff, 255 blz. ƒ44,90