Sartre in Almere

In de oorlog gingen we niet naar de schouwburg. Kort na de Bevrijding werd de Stichting Amsterdams Rotterdams Toneel, de START, opgericht. Het eerste stuk dat dit gezelschap op zijn repertoire nam was De schending van Lucretia. Van André Obey? In ieder geval, er komt een verteller in voor die gespeeld wordt door Albert van Dalsum. Ik was 17. Met mijn vader ging ik erheen. Ik had nog nooit een toneelstuk gezien en dus ook geen acteur in de uitoefening van zijn beroep. Van Dalsum was de eerste. Het was, wat je nu zou noemen, een harde confrontatie. Van Dalsum was een grote man, met een groot kaal hoofd en een bronzen stem. Voor deze rol was hij gekleed in een wit laken, dat hij over zijn rechterschouder en arm gedrapeerd hield. Hij legde zijn linker wijsvinger op zijn lippen, de zaal hield de adem in, hij zei: `Klk tlik, klk tlik. DAAR KOMT TARQUINIUS!' en keek weer onheilspellend om zich heen. ,,Waarom zegt hij klk tlik, klk tlik?'' fluisterde ik tegen mijn vader. ,,Dat is het paard van Tarquinius'', fluisterde hij terug.

Toneel heeft zijn eigen taal. Je moet een paar stukken hebben gezien om dat te begrijpen, en daarna leer je deze taal vanzelf. Kort daarna zag ik Sartre's Huis clos. Men weet waar het om gaat. Drie mensen zitten in een hotelkamer. Die zullen ze niet meer verlaten, want dit is de hel. Dat moeten ze telkens weer beseffen. Eén van de drie wordt het te machtig. Hij of zij rukt het gordijn weg waarachter een raam moet zijn. Het is een blinde muur. Na deze ontdekking – kille schrik voor de toeschouwer – zijn de drie nog meer op elkaar aangewezen, en nog duidelijker wordt het: `De hel, dat zijn de anderen.' Het effect van de blinde muur hoort tot de toneeltaal.

In het denken van Sartre heeft het waargenomen worden, het besef te worden bekeken, een grote betekenis. Het wordt door degene die het overkomt, ervaren als een vijandige daad. Je hoeft niet per se een wijsgerige verhandeling te schrijven om tot deze conclusie te komen. Een kind dat zich hinderlijk voelde waargenomen door een ander kind, verweerde zich door te zeggen: `Heb ik soms iets van je aan!?' De oorlog valt te beschrijven als een spel op leven en dood, van waarnemen en waargenomen worden. Je overlevingskansen nemen toe naarmate je er beter in slaagt je aan de waarneming van de vijand te onttrekken. Iedereen die wel eens verstoppertje heeft gespeeld, weet in principe hoe het gaat.

Toen, in de loop van de jaren vijftig, is het Westen langzaam overweldigd door twee omwentelingen die wel een halve eeuw hebben geduurd en misschien nog aan de gang zijn. De eerste is die van de televisie, camera en beeldscherm die zich hebben ontwikkeld tot het universeel gereedschap van waarnemen en waargenomen worden. De tweede is de uitbreiding van de vrede. Hoe het precies in zijn werk is gegaan valt niet één-twee-drie te beschrijven. Maar het waargenomen worden is voor degene die het overkomt, veranderd van een vijandige daad in een bewijs van bijval voor zijn persoon. Wie op de televisie komt, vindt daarin de bevestiging dat hij of zij maximaal aanwezig is. En degenen die kijken, vinden dat ook. Het door de televisie worden waargenomen is veranderd van een te vermijden in een benijdenswaardige ervaring. Niet altijd natuurlijk, zoals we zien aan de arrestanten die, op weg naar de politie-auto een jas over hun hoofd trekken. Daartegenover staan de bekende Nederlanders die nog bekender willen worden.

Daarin ligt het geheim van Big Brother. Als iemand een jaar of vijftig geleden met dit programma was gekomen, had iedereen gevraagd: Hoe haal je het in je hersens. Nu is het, zoals ook wordt bewezen door de kijkcijfers en alle begeleidende publiciteit, het voorlopig meest democratische project tot identiteitsvergroting, gekoppeld aan het merkwaardig mechanisme in het bewustzijn dat concludeert: Wat niet op de televisie is geweest, heeft niet in de hoogste concentratie van werkelijkheid plaatsgevonden.

De wereld volgens het denken van Sartre wordt in zekere mate omgekeerd. Die mensen zitten daar bij elkaar in een soort voorportaal van de hemel, waar ze onder het niet aflatend facet-oog van ik weet niet hoeveel camera's op miljoenen schermen verschijnen en bekender en bekender worden, en ten slotte krijgt een van hen een kwart miljoen toe. Niet wat ze onderling doen en laten, maar het totaal van dit drama van gretigheid in het waarnemen en waargenomen worden, wekt mijn bijna machteloze weerzin. Bijna, want als het is afgelopen zal ik er geen seconde naar hebben gekeken. Een toneelgezelschap zou Huis clos weer eens op het repertoire moeten nemen.