Liefde en apekool in tijden van internet

Stel, je hebt net een roman van Bret Easton Ellis gelezen, het oeuvre van Coupland doorgebladerd, het werk van Tom Wolfe verslonden, én je hebt, omdat je columnist bij de roemruchte New Yorker bent, per ongeluk wel eens een opstel over `entropie bij Thomas Pynchon' onder ogen gehad. Dan moet je toch een romannetje kunnen schrijven? Kurt Andersen deed het en probeerde prompt maar een Great American Novel, want dunne boekjes van debutanten zijn parels voor de zwijnen. Dat hij de marktmechanismen kent mogen we weten, want zijn Turn of the Century probeert een satire te zijn waarin deze mechanismen de dienst uitmaken. Dat de hoofdpersonen, echtelieden die in de wereld van de televisie en de computers werken, nog platter dan een dubbeltje zijn, doet dan ook niet meer ter zake. Satire is satire.

Soms ben je uit pure onmacht geneigd de hele literatuur de schuld te geven van een roman als Turn of the Century. Dit boek is louter geschreven voor het gat in de markt: alle stijlregisters van Andersen zijn gejat uit de recente Amerikaanse literatuur en zelfs alle ingrediënten heeft hij bij collega's gehaald. Van de weeromstuit gaat het je intrigeren dat een boek dat marktmechanismen op de korrel probeert te nemen, zelf een van de meest treurige gevolgen van deze smakeloze mechanismen blijkt te zijn.

Goed dan: dat David Foster Wallace in Infinite Jest de roman in de toekomst liet spelen was in de ogen van vele Amerikaanse critici een geslaagde truc. Andersen doet hetzelfde en neemt net als Wallace dan ook een gemakzuchtig voorschot op de actualiteit. Bij Wallace een alliantie met Canada, en bij Andersen een oorlog in Mexico, zonder dat hiermee iets zinnigs wordt gedaan, behalve dan dat je fijne variaties op belegen grapjes over de politiek kunt maken. Neem voorts de lugubere strekking van Wallace's verhandeling over het tv-tijdperk en ga er op een lollige manier mee aan de haal. (Dat Andersen zelf voor de tv heeft gewerkt blijkt enkel uit het gebruikte idioom, niet uit originele visies.)

Bret Easton Ellis vergreep (en vertilde) zich in zijn laatste roman aan de onnavolgbare logica van enkele marktmechanismen, en Andersen dacht: dat kan ik ook. Wolfe kan aardig over door sociale misverstanden mislukkende huwelijken en levens schrijven, dus dat pakte Andersen ook even mee. Coupland, de meester van de moderne zedenschetsjes, wees hem de weg naar de kunst van de bladvulling. En dan is er de ultieme vondst: `signaalruisverhouding', waaronder Andersen het afglijden van klare taal naar klinkklare onzin verstaat; want er gaat wel eens iets mis in de communicatie (zoals Pynchon tot in den treure demonstreert), helemaal als je bij de televisie werkt of met internet bezig bent. Leuk gevonden: signaalruisverhouding. Een literair verantwoorde rode draad en een perfect excuus voor een ferme demonstratie van moderne wartaal.

Erger dan al dat jatwerk en die obligate ingrediënten is dat het verhaal in dit boek zelfs na 500 bladzijden nog niet op gang gekomen is. Dat huwelijk tussen de tv-maker en een volkomen vernewyorkste tuthola, die het maar moeilijk heeft in de moderne maatschappij, laat iedereen koud, vooral de kindertjes van het stel. De man maakt nieuwe televisie, een mengeling van fictie en actualiteit, een ideetje dat hier al lang door de bazen van Veronica is gewikt en gewogen (zo komt onze antiheld op de valreep nog op het idee van Big Brother), en de vrouw probeert een computerbedrijf te bestieren in de laatste dagen van de Microsoftmaatschappij. Dit geeft Andersen alle ruimte voor de ontelbare, als bespiegelingen bedoelde uiteenzettingen over de codes van de moderne tv en de codes in de handel van moderne informatica. Dat hij zijn research gedaan heeft zullen we weten, want de technische brabbeltaal is niet van de lucht.

Voor iemand die geen fatsoenlijke dialoog op papier kan krijgen is de alwetende verteller een uitkomst, en voor iemand die halverwege een roman zijn pogingen maar staakt om macht over zijn personages te krijgen is de perspectiefwisseling een aardige truc. Andersen volgt zijn twee helden op de voet, maar als hij vastloopt in een psychologietje van de koude grond plet hij zijn pagina's snel vol met pseudomodieuze prietpraat of wisselt hij van personage en begint hij aan een nieuwe tot mislukken gedoemde poging. Hij schrijft geen roman, maar smijt met scènes.

Als je als lezer de ontelbare pogingen tot satire hebt zien mislukken ga je je uit nood maar richten op die `signaalruisverhouding'. Welnu, deze literaire vorm van entropie zorgt ervoor dat een volslagen nietszeggend huwelijk tijdens de laatste 200 bladzijden bijna compleet in de soep loopt. Men begrijpt elkaar namelijk niet en via via ontstaan er misverstanden. Punt is: wie kan het wat schelen? Mij niet. De kinderen van het stel niet. Ja: zelfs de schrijver niet, want het is satire. Dat de tv-maker aan het slot van het boek zijn carrière kwijt is geraakt en hier zijn vrouw van verdenkt, omdat zij halverwege het boek een hogere positie binnen het mediaconcern van zijn baas heeft verworven o, macht der verbeelding! mag nog zorgen voor wat moderne paranoia, maar dit Bold and Beautiful-trucje bezorgt ons onbedoeld de slappe lach.

Helemaal kolderiek wordt het wanneer internet het huwelijk redden mag. De zich bedrogen wanende echtgenoot krijgt op een gegeven moment de aan een hartsvriendin gerichte e-mails van zijn verdachte vrouw onder ogen en leest hoe trouw ze hem al die tijd geweest is. Tranen met tuiten, en internet toch de grootste vergaarbak van ruis ter wereld als ideaal signaal. Dat dit melodramaatje de rest van de roman tegenspreekt neem je dan al lang op de koop toe.

Als men alle lollig bedoelde technopraat uit dit boek zou verwijderen, zouden er misschien tweehonderd van de zesenhalfhonderd pagina's overblijven. Wat men dan heeft, is een van de meest slappe pogingen ooit ondernomen om een comedy of errors te schrijven. Dat het geouwehoer over de ethiek van tv-maken, handelen op de beurs en het onder de pet houden van informatica zo duidelijk een comedy of manners zijn moet, zorgt ervoor dat we twee mislukte romans voor de prijs van één krijgen. Turn of the Century maakt, als men het boek tot het einde toe weet uit te lezen, in ieder geval wel één ding helder: in romans als deze verdwijnt die zo moeilijk te vinden grens tussen fictie en lectuur, en stuiten we op dat heldere genre dat al zo oud is als de boekdrukkunst: onverteerbare apekool.

Kurt Andersen: Turn of the Century. Random House, 659 blz. De vertaling Eeuwwisseling (Gerda Baardman en Tjadine Stheeman) is verschenen bij Contact, 622 blz. ƒ65,-