Koning, keizer, Longobard

Hedendaagse historici voeren een ernstig debat over de vraag hoe zij hun verhaal moeten vertellen. Sommigen vinden het zinnig om uit te gaan van het detail, dat vervolgens in een groter geheel kan worden ingebed. Anderen zien het als hun taak de hoofdlijnen van het Grote Verhaal uit te zetten. En terwijl de een de voorkeur geeft aan een streng-wetenschappelijke en discursieve taal, spiegelt een ander zich aan de intuïtieve schrijfstijl van de schone letteren. Of de achtste-eeuwse geschiedschrijver en dichter Paulus Diaconus door narratologische scrupules werd geplaagd, valt niet uit te maken. Gelet op de rijkdom aan verhaalvormen en verteltechnieken die hij in zijn Geschiedenis van de Langobarden etaleert, zou je denken van niet.

Paulus schreef het geschiedwerk in het herfsttij van zijn leven, toen hij, na jarenlang verblijf aan het hof van Karel de Grote, in zijn Langobardische vaderland was weergekeerd. Hij bracht er zijn dagen door als monnik in het door Benedictus gestichte klooster te Monte Cassino (tussen Rome en Napels). Midden in het eerste boek onderbreekt hij het historisch relaas om zijn geestelijk vader toe te zingen.

Waar moet ik beginnen,

o heilige Benedictus, met uw triomfen,

met uw talrijke deugden, waar moet ik beginnen?

In distischa, waar het begin van de hexameter telkens terugkeert in het slot van de pentameter, parafraseert hij veelzeggende momenten uit het leven van de heilige, zoals opgetekend door paus Gregorius de Grote in zijn Dialogen. Als Benedictus zich in een doornenstruik werpt om zijn begeerten de baas te blijven, dicht Paulus:

Vuur wordt door vuur verteerd, terwijl de doornen diep in het lijf dringen;

het vleselijke vuur wordt door het hemelse vuur verteerd.

Geschiedschrijving en literatuur, die in de moderne tijd steeds verder uit elkaar zouden groeien, waren bij Paulus onverbrekelijk met elkaar verbonden. Als hij de rampspoed die de grote pestepidemie van de zesde eeuw voortbracht, wil schetsen, resten hem alleen nog literaire middelen: `Het scheen alsof de wereld weer was teruggekeerd tot de stilte van de oertijd, geen stem weerklonk in het veld, geen gefluit van herders, er waren geen roofdieren die hun prooi in de kudde beslopen'.

Kippenvlees

Op de meest uiteenlopende wijzen weet de Langobard de aandacht van de lezer geboeid te houden. Een scherp oog heeft hij voor bizarre voortekenen en merkwaardige gewoonten. Telkens als ketterijen de kop opsteken, vloeit er bloed uit de wolken of regent het spinnenwebben. Als op een dag de bliksem een gat in de omheining van het koninklijk paleis slaat, wordt Agilolf, hertog van Turijn, voorzegd dat hij met koningin Theodelinde zal trouwen. Deze voorspelling wordt hem ingefluisterd, als hij neerzit om zijn behoefte te doen. Eenmaal koning geworden, laat Agilolf zich door zijn echtgenote overhalen tot het katholieke geloof. Hier maakt de schrijver een toespeling op 1 Cor. 7:14 (`Want de ongelovige man wordt geheiligd door toedoen van zijn gelovige vrouw'), een uitspraak die talloze middeleeuwse auteurs gelegenheid gaf een goedgunstig oordeel over vrouwen uit te spreken.

Soms laat de Langobardische historicus de lezer glimlachen. Zo bericht hij dat de dochters van Gisolf, hertog van Friuli, bedorven kippenvlees tussen hun borsten stopten. De stank zorgde ervoor dat ze niet door de vijand werden onteerd. En over de Gallische asceet en kluizenaar Hospitius, die zijn lichaam had ingesnoerd met ijzeren kettingen, vertelt hij dat de Langobarden – in de periode dat zij nog in de dwalingen van het heidendom verkeerden – hem aanzagen voor een gevangene.

Vaak is de schrijver het verwijt gemaakt dat zijn verhaal structuur zou missen. Die kritiek is niet erg op haar plaats, want onweerlegbaar tekenen zich enkele grote lijnen af, zij het in ietwat verhulde termen. De rode draad in de Geschiedenis is de lange en barre tocht van de Langobarden, vanuit hun stamland in Scandinavië, via Pannonië (het westelijk deel van Hongarije), naar hun uiteindelijke bestemming in Italië. Een ander leidmotief is de moeizame bekering van het Langobardische volk, via heidendom en arianisme, tot het orthodox-Roomse geloof. Een laatste hoofdlijn houdt verband met de latinisering van de Langobarden, die zichzelf na verloop van tijd als de voortzetters van de oud-Romeinse traditie beschouwden. Om hun eerbiedwaardigheid te beklemtonen, zo noteert de diaken, droegen sommige koningen de oude keizerlijke naam `Flavius'.

Paulus geeft doorgaans een neutraal verslag van de feiten, al gaat zijn sympathie ontegenzeglijk uit naar Langobarden, Franken en de Kerk van Rome. De Grieken, die op den duur uit het noorden van Italië werden verdreven, wekken daarentegen geregeld zijn ergernis. Het imposante geschiedwerk is helaas onvoltooid gebleven, waardoor de auteur niet meer ingaat op de periode na 744, toen de Langobardische koning Desiderius door Karel de Grote van zijn troon werd gestoten. Wel wordt de Frankische machtsovername reeds aangekondigd en gerechtvaardigd. Een kluizenaar met profetische gave had voorspeld dat het volk der Langobarden te gronde zou gaan als te Monza de kerk van de Heilige Johannes de Doper, hun beschermheilige, zou worden bezoedeld. `Ik heb zelf ervaren dat het zo is gegaan', voegt de diaken eraan toe.

Visioen

De verovering van het Langobardische koninkrijk door Karel de Grote en zijn huwelijk met een dochter van Desiderius zijn wel geboekstaafd door Einhard, die een levensschets van de keizer schreef. Dit boek heeft eveneens een vertaling gekregen in de Baskerville Middeleeuwen Serie van uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Zowel Paulus als Einhard maakte deel uit van Karels schola palatina en hun beider werken toont de literaire veelzijdigheid ten tijde van de Karolingische Renaissance. Terwijl de Langobard het joods-christelijke teleologische denken in balans bracht met de annalistische en retorische traditie van de Oudheid, oriënteerde Einhard zich op de Keizerlevens van de Romeinse veelschrijver Suetonius. Een manuscript van diens keizerbiografieën bevond zich in de abdij van Fulda (niet ver van Frankfurt) en was door Einhard in zijn jonge jaren ijverig bestudeerd.

Het leven van Karel de Grote volgt Suetonius zowel in opbouw – die meer thematisch dan chronologisch is – als in stijl en het soort van details en anekdoten. Einhard kon zich niet de vrijheid van Suetonius permitteren als het om de seksuele escapades van zijn protagonist ging. Met zijn vier huwelijken en zes bijvrouwen maakte de grote christenkeizer het al bont genoeg. Dat kwam de Karolinger trouwens later duur te staan, als we een visioen van Wetti, monnik in Reichenau, mogen geloven. In het jaar 824 zag deze in een droomgezicht dat Karel in het hiernamaals was opgenomen onder degenen die een verschrikkelijk lot ondergingen. Als straf voor zijn liederlijk gedrag en echtbreuk – Desiderius' dochter had hij de deur gewezen – werden zijn schaamdelen door een wild beest afgerukt.

Karels stervensuur, zo meldt Einhard, werd door tal van onheilspellende gebeurtenissen aangekondigd. Enkele maanden voor zijn dood was in de kerk van Aken een inscriptie, die Karel als bouwheer en keizer vermeldde, ineens goeddeels onleesbaar geworden. Deze anekdote lijkt wel erg veel op de passage bij Suetonius, waar voortekenen het naderende einde van keizer Augustus aanzeggen. Op een standbeeld van Augustus werd de eerste letter van zijn naam, de C van Caesar (en centum), door de bliksem weggesmolten, ten teken dat hij nog slechts honderd dagen te leven had.

De vertalingen van Einhard en Paulus Diaconus zijn goed leesbaar. Het leven van Karel de Grote beslaat minder dan dertig pagina's en was al eerder in Nederlandse vertaling verschenen. De editie had aan belang kunnen winnen als een andere standaardtekst over Karel de Grote was opgenomen, bijvoorbeeld 's keizers biografie van Notker, of De ordine palatii van Hincmar, die zich in deze verhandeling over organisatie van hof en rijk, oriënteerde op de tijd van Karel de Grote en wiens traktaat in later tijd het beeld van de vorst sterk heeft gekleurd. Tegenover de vele Latijnse teksten uit de Oudheid die hier te lande vertalers hebben gevonden, is de middeleeuwse literatuur sterk onderbedeeld gebleven. Daarom verdient het initiatief voor deze vertalingen bijval, al is er nog een lange weg te gaan alvorens een Nederlandstalig publiek kan beschikken over een waardige tegenhanger van de Duitse Ausgewählte Quellen, Engelse Medieval Texts of Franse Classiques de l'histoire.

Paulus Diaconus: Geschiedenis van de Langobarden. Vertaald en toegelicht door Ted Meijer & Fik Meijer. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 231 blz. ƒ66,90

Einhard: Leven van Karel de Grote. Vertaald en toegelicht door Patrick De Rynck. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 75 blz. ƒ36,50