Italiaans volk in de rij voor aandelen

Tegen de vier miljoen Italianen probeerden deze week een aandeel van het geprivatiseerde elektriciteitsbedrijf Enel te bemachtigen. Het succes van eerdere privatiseringen heeft een leger van kleine kapitalisten doen ontstaan.

Ferrari misschien wereldkampioen komend weekeinde? De corrupte oud-premier Craxi misschien terug uit ballingschap, omdat hij zo ziek is? Het zijn brandende kwesties, maar miljoenen Italianen hadden afgelopen week een nog grotere zorg: hoe bemachtig ik een aandeel Enel?

Enel is het staatsenergiebedrijf dat gedeeltelijk wordt geprivatiseerd. Van maandag tot vandaag konden belangstellenden daarom inschrijven. Overal bij de banken en postkantoren stonden lange rijen, soms al om zes uur 's ochtends. Want in brede kring is het besef doorgedrongen dat er goed te verdienen valt aan de economische veranderingen die het land doormaakt.

In de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig hebben Italiaanse spaarders geprofiteerd van de enorme overheidsschuld. De staat gaf te veel uit en politici zorgden ervoor dat zij of hun partij daarvan royaal kon profiteren, vaak in de vorm van steekpenningen. Maar ook spaarders profiteerden: om de schuld te kunnen dekken moest de staat een royale rente bieden op zijn leningen. Miljoenen Italianen staken hun geld toen in staatsstukken. De beurs bleef achter, omdat staatsleningen veel interessanter waren.

Nu de overheidsschuld wordt gesaneerd en Italië is opgenomen in de Economische en Monetaire Unie, leveren de staatsstukken rond de vijf procent op. Miljoenen spaarders begonnen andere bestemmingen te zoeken voor hun geld. De beurs werd interessant, vooral door de privatiseringsgolf van staatsbedrijven.

In Italië hebben politici zich lang verzet tegen privatisering, omdat de controle over staatsbedrijven hun veel macht bood. Dat verzet werd onhoudbaar, de overheid heeft dringend geld nodig om de staatsschuld te verminderen, en daarom zijn in betrekkelijk korte tijd veel staatsbedrijven op de markt gebracht. Grote banken en verzekeringsmaatschappijen, de staatsenergieholding Eni, Telecom Italia.

In het begin was de belangstelling nog beperkt. Wat zou er worden van die staatsbedrijven? Maar omdat de marge voor efficiëntieverbetering groot was, omdat de vaste koers van de lire Italië interessanter maakte voor buitenlandse investeerders, en omdat miljoenen Italianen iets wilden doen met hun spaarcenten en het aanbod op de beurs relatief beperkt was, zijn de beurskoersen van de geprivatiseerde bedrijven enorm gestegen.

Vooral de banken hebben spectaculaire resultaten geboekt. Wie in 1993 Credito Italiano heeft gekocht, heeft zijn aandelen 400 procent zien stijgen. Het aandeel Banca Commerciale is 245 procent meer waard. Maar ook andere bedrijven deden het goed. Telecom Italia staat 25 procent hoger dan bij de privatisering twee jaar geleden. Het aandeel Eni is 26 procent duurder dan in november 1995.

Het is nu wel tot iedereen doorgedrongen dat het buitengewoon lucratief kan zijn aandelen te kopen als een staatsbedrijf wordt geprivatiseerd. Daarom gaan de Italianen massaal in de rij staan, vaak los van enige reële analyse over de toekomstverwachtingen van het specifieke bedrijf.

De definitieve cijfers over de belangstelling voor het elektriciteitsbedrijf Enel komen pas zondag beschikbaar, maar het ziet ernaar uit dat vier miljoen Italianen hebben ingeschreven. Het kabinet was eerst van plan 23 procent op de markt te brengen, maar overweegt nu dat percentage te verhogen naar bijna 35 procent. Dat zou de staat tegen de veertig miljard gulden kunnen opbrengen.

Dat zou een nieuw record zijn, ongeveer tien miljard gulden meer dan Telecom Italia opleverde. De analyses over het fenomeen van de staatsbedrijven-aandelenkoorts lopen uiteen. Er zijn lange beschouwingen geschreven over een vermeende overgang van het leven in een beschermde staat naar een heilzame vorm van volkskapitalisme. Maar de socioloog Luciano Gallino ziet hierin dezelfde hang naar snel rijk worden die Italianen massaal lottobriefjes doet invullen. Zijn collega Franco Ferrarotti concludeert dat het resultaat vanuit economisch gezichtspunt in ieder geval positief is: ,,Dit laat zien dat er in Italië nog een enorme massa werkeloos spaargeld is dat kan worden gebruikt voor productieve investeringen.''