Indonesië heeft snel vertrouwen markten nodig

Het nieuwe Indonesische kabinet is vanmorgen geïnstalleerd. President Wahid waarschuwde zijn ministers voor corruptie. Hoe herwint Indonesië het vertrouwen van de markten en het IMF?

Tijdens de installatie van het nieuwe kabinet van Indonesië hielden de toeschouwers vanmorgen tweemaal even hun adem in: bij het gezamenlijk uitspreken van de ambtseed door de ministers en tijdens het korte toespraakje van president Abdurrahman Wahid. De aspirant-ministers zeiden vice-president Megawati Soekarnoputri (Wahid ziet te slecht om voor te lezen) deze zin na: ,,Ik zal niets schenken aan en niets aannemen van personen of partijen die een kwestie hebben die verband houdt met mijn ambt''. Dat is een standaardfrase, maar hij klonk deze keer extra veelbetekenend. De president beëindigde zijn heilwens voor het nieuwe kabinet aldus: ,,Veel succes, maar voorzichtig, want succes is ook gevaarlijk. Als er de komende vijf jaar iemand van u op het matje worden geroepen door de procureur-generaal, dan is het beter dat die zijn ambt neerlegt. Dat is belangrijk: voor het vertrouwen van het volk, van het zakenleven en van de internationale gemeenschap.''

Vertrouwen, dat is wat Indonesië nodig heeft, willen land en volkshuishouding zich herstellen van de ernstigste economische neergang van de afgelopen dertig jaar. Sinds de monetaire crisis in het najaar van 1997 toesloeg, hebben naar schatting 80 miljard Amerikaanse dollars die eigendom waren van Indonesische ondernemers - dikwijls van Chinese afkomst - en van buitenlandse kortetermijninvesteerders het land verlaten. Deze kapitaalvlucht deed de koers van de rupiah kelderen, putte de deviezenreserves uit en noopte het immer zo zelfbewuste Indonesië de hulp in te roepen van het Internationaal Monetaire Fonds (IMF).

Het laatste kabinet van generaal b.d. Soeharto en de regering van diens opvolger, B.J. Habibie, kwamen met het Fonds tot overeenstemming over een hulpprogramma onder harde voorwaarden. Het IMF zou een garantiefonds creëren van 43 miljard dollar ter financiering van programma's voor crisisbestrijding en zegde toe een bedrag van in totaal 12,3 miljard dollar over te maken, waarvan er inmiddels 9,5 zijn vrijgegeven. Als tegenprestatie diende Indonesië een groot aantal monopolies te ontmantelen - merendeels gecontroleerd door vrienden en familieleden van Soeharto - staatsbedrijven te privatiseren en een programma voor de sanering van particuliere binnen- en buitenlandse schulden op te zetten om zo de vastgelopen productieve sector weer vlot te trekken. Bovendien moest het door ongebreidelde kredietverlening en de loodzware last van niet invorderbare leningen geheel scheef gegroeide bankwezen onder curatele worden gesteld en van kapitaalinjecties worden voorzien met de hulp van nieuwe, eventueel buitenlandse investeerders.

Hoewel het nieuwe, machtige Lichaam voor de sanering van het nationale bankwezen (BPPN) door (vaak dubieuze) debiteuren werd beschuldigd van `uitverkoop' van hun activa, die ze bij het afsluiten van leningen nogal eens hadden overgewaardeerd, bleken deze programma's redelijk succesvol. Totdat de regering-Habibie afgelopen zomer volledig in diskrediet raakte. In augustus bleek dat Bank Bali op slinkse wijze een bedrag van 80 miljoen dollar had overgemaakt aan een onderneming die eigendom is van enkele zakenlieden die nauwe banden onderhielden met president Habibie. Een in opdracht van de regering door de firma Pricewaterhouse Coopers (PwC) ingesteld accountantsonderzoek wees uit dat een deel van het bedrag rechtstreeks was overgemaakt aan het campagneteam voor Habibie's herverkiezing. IMF en Wereldbank eisten dat het PwC-rapport openbaar werd gemaakt. De regering-Habibie weigerde met een beroep op het bankgeheim. Daarmee was het beetje internationaal krediet dat het voorgaande jaar was opgebouwd, verspeeld. Op 15 september staakten IMF en Wereldbank de uitbetaling van toegezegde bedragen hangende de afwikkeling van de affaire-Bank Bali. Dit schandaal en het besluit van het openbaar ministerie, op 11 oktober, om het gerechtelijk onderzoek naar de financiële handel en wandel van oud-president Soeharto ,,bij gebrek aan bewijs'' te staken, betekenden de genadeslag voor Habibie's kandidatuur. Een week later koos het Volkscongres de alom gerespecteerde moslimleider Abdurrahman Wahid tot president en diens nationalistische rivale Megawati Soekarnoputri tot vice-president.

Het kabinet dat zij beiden presenteerden, heeft gemengde reacties opgeroepen. De deviezen- en aandelenmarkt reageerden afwachtend – niet afwijzend – en economen repten van te veel politieke compromissen bij de samenstelling van het economisch team. Zo zou de minister van Financiën, Bambang Sudibyo, alleen verstand hebben van accountancy en de minister voor Investeringen, de bankier Laksamana Sukardi, op de verkeerde post zitten. De superminister van Economie, Financiën en Industrie, de in Rotterdam opgeleide bedrijfseconoom Kwik Kian Gie, wekte het meeste vertrouwen, maar zou op zijn beurt over te weinig macro-kennis beschikken. Andere commentatoren wezen er evenwel op dat met Kwik voor het eerst een etnische Chinees een dergelijke toppositie bekleedt in Indonesië en dat dit kan bijdragen aan vertrouwensherstel bij uitgeweken Chinese ondernemers.

Teamleider Kwik reageerde kalm op de scepsis bij zijn vakgenoten. Hij repliceerde dat ,,Indonesië te lang blind heeft vertrouwd op technocraten'' en hij noemde de mix van ,,staatslieden en deskundigen'' juist heilzaam, omdat ,,politici zich meer aantrekken van de volksnoden dan technocraten''. Kwik kwam meteen ter zake. Hij meldde dat zelfs de routinebegroting (ambtenarensalarissen en andere lopende uitgaven) al in het rood staat en zei dat de belemmeringen voor hervatting van de IMF-betalingen meteen weggenomen moeten worden. Enkele weken geleden besliste de Hoge Raad dat er geen juridische beletselen zijn voor overdracht van het PwC-rapport aan het parlement en Kwik bezwoer de parlementscommissie in kwestie om het stuk te publiceren. Volgende week arriveert de IMF-directeur voor Azie en het Stille-Oceaangebied, Hubert Neiss, in Jakarta. Het vertrouwen groeit.