Het mooiste gedicht ter wereld

In Kon ik maar jouw spiegel zijn, een bundel Griekse liefdesgedichten, gekozen en vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf (uitg. Bert Bakker, ƒ14,90) las ik dit korte vers: `Jongen die kijkt als een meisje, / ik verlang naar jou, maar jij merkt niets, / je hebt geen idee dat je / de teugels van mijn ziel vasthoudt.' Het is van Anakreon. Het werd meer dan 2500 jaar geleden geschreven. Het is, zoals bijna alle Griekse poëzie uit de oudheid, omgeven door de geest van jeugd, ongereptheid en onbevangenheid: omdat het nu eenmaal stamt uit het begin van onze cultuur, toen er nog geen literaire conventies bestonden en iedere dichter met ieder nieuw gedicht nog een nieuw genre kon uitvinden.

Het is een aardig gedicht, vind ik. Eenvoudige zinnen, heldere mededeling, op het nuchtere af. De lichte frappe schuilt in het feit dat de hevig verliefde dichter hier niet de gang van zaken dicteert, hoe graag hij dat ook zou willen. Het is de mysterieuze jongen met de meisjesblik die de touwtjes in handen heeft – en, extra tergend, dat ook nog eens doet zonder het zelf te weten.

Dat is mooi allemaal, en interessant. De suggestie van homofilie of pedofilie of transseksualiteit geeft aan het geheel ook nog iets bijzonders. Maar toch kostte het me ook weer niet al te veel moeite om er tegelijk met een iets ander, nuchterder oog naar te kijken. Was dit nu op de keper beschouwd wel zo'n goed of mooi of bijzonder gedicht? Er zijn geen dichterlijke hoogstandjes te zien. Geen vloeiende, zangerige of anderszins citeerbare regels, geen fijne rijmen of sterke beelden. Het thema is overbekend. En de uitwerking verschilt niet veel van wat nog steeds in tientallen varianten in allerlei liefdesgedichten en liefdesliederen te lezen en te horen is. Dit had ook een liedtekst van, zeg, Gordon kunnen zijn – en dan zou er misschien juist wel om gegrinnikt worden.

Warren en Molegraaf zijn niet de eersten die het gedicht van Anakreon in het Nederlands vertaalden. In de door hen zelf samengestelde Spiegel van de Griekse poëzie uit 1988 namen ze bijvoorbeeld een vertaling van Jan Sissau op. Die maakte er een vijfregelig gedicht van, voorzag het van een eigen titel, `Vergeefs gelonk', en van lekker veel ij-rijmen in het begin – al kijken we nu wel wat vreemd aan tegen dat `lijk' meteen in de eerste regel: `O knaap die lijk een meisje kijkt, / ik zoek naar jou, maar jij / bemerkt mij niet, want jij begrijpt / het niet dat jij alleen / de menner van mijn hartstocht bent.'

Toen Sissaus vertaling verscheen, in 1971, bestond er in ieder geval nog één andere vertaling in het Nederlands, en wel van de hand van vermoedelijk de grootste Anakreonbewonderaar aller tijden: Jan Hanlo (1912 – 1969). In zijn brieven schreef Hanlo over `mijn ideale dichter', `de door mij zo blijvend bewonderde Anakreon': `Wat vind ik dat toch een groot dichter. Voor mij is hij de grootste. Zelfs in zijn zwakkere gedichtjes [... ].' En over Anakreons gedicht over de meisjesachtig kijkende jongen: `dat door mij meest bewonderde gedicht van Anacreon', `dit gedicht vind ik in het Grieks het toppunt van wat een dichter kan maken', `het gedicht blijft me al 20 jaar lang bij als het beste gedicht dat ik ken', `mijns inziens het mooiste gedicht ter wereld' dan wel `het mooiste gedicht dat er mijns inziens ooit geschreven is'.

Het zijn kwalificaties die nieuwsgierig maken naar Hanlo's vertaling ervan. Blijkens zijn brieven was hij niet tevreden over de Engelse, de Latijnse, de drie Franse en de twee Duitse vertalingen die hij ervan kende, en ook niet over zijn eerste vierregelige versie, noch over zijn tweede versie met tweemaal drie regels. Uiteindelijk telde zijn vertaling zes regels, zonder interpunctie: `jongen kijkend als een meisje / ik zoek je / maar je hoort niet / je weet niet / dat je van mijn ziel / de wagenmenner bent'.

Zou dit nu het mooiste gedicht ter wereld zijn? Ik zie er toch vooral een eenvoudig en aardig gedicht in – en een vertaling die nog wel wat vragen oproept. Is dat nu mooi, zo'n tegenwoordig deelwoord (`kijkend') in de eerste regel? Klinkt dat niet wat krukkig: `je hoort niet'? `Wagenmenner' is strikt genomen een raar woord, zo merkte Hanlo zelf in een van zijn brieven al op: men ment immers niet de wagen, maar het paard. Het is, al even strikt genomen, ook een ongelukkig beeld, omdat het een tweede persoon veronderstelt: een wagenmenner staat naast de eigenlijke strijder in de strijdwagen. En het element `wagen-' is ook nog eens overbodig: het beeld van de menner voor de jongen roept al vanzelf het beeld van de wagen voor de ziel van de dichter op. Ter verdediging van de dichter moet dan misschien nog gezegd worden dat hij zelf ook vond dat het gedicht `eigenlijk niet vertaalbaar' was en dat Anakreon bij voorkeur `onvertaald' gelezen diende te worden. In de originele tekst zou men pas volledig kunnen genieten van `de prachtige klank en het ritme' en trouwens ook van `de uiterste eenvoud der woorden'. Het zijn onmachtige karakteriseringen die onbedoeld de indruk versterken dat het kennelijke geheim of wonder van dit gedicht voor Hanlo niet in de stijl heeft gelegen, maar elders: achter het gedicht, om zo te zeggen, of ernaast. In zijn verbeelding, in pedofiele of biseksuele bijgedachten, in dromen over een samenleving waarin deze verboden liefde wel uitgesproken kon worden, of misschien wel in dromen over een literatuur waarin hijzelf zulke liefdesgedichten zou durven schrijven.

Hans Renders meent in zijn Hanlo-biografie nog zo half en half te kunnen aantonen dat de dichter bij het maken van zijn Anakreon-vertaling de jonge, zestienjarige Ronald Dietz op het oog had, met wie hij toen, begin jaren zestig, net kennis had gemaakt. `Dietz was de wagenmenner van de dichters ziel' zegt Renders, maar ik vraag het me af. Hanlo kende het werk van Anakreon al veel langer, en uit Renders' eigen materiaal blijkt vooral dat de afstand tussen Hanlo en Dietz groot was en bleef. Toen Hanlo één keer een voorzichtige poging tot lichamelijke toenadering deed, trok Dietz zich onmiddellijk terug, waarna de vriendschap beëindigd werd.

Zou de jonge Ronald met de door Hanlo bewonderde mooie `overgangen' (van pols naar hand en van dij naar bil) werkelijk het model zijn geweest voor de vertaalde wagenmenner? Het ligt juist in dit geval voor de hand dat er meer modellen zijn geweest. Ziedaar de tragiek van de pedofiele liefde: de beoogde vrienden worden vanzelf te oud. En ziedaar wellicht de grote troost die voor Hanlo van het Anakreon-vers uitging: die jongen die zo raadselachtig kijkt, als een meisje, blijft maar zo kijken en wordt maar niet ouder, al 2500 jaar niet. Kom daar in het echte leven maar eens om.