Herkenning met en zonder h

Soms lijkt het of de realiteit gewoon een soap onder vele andere is. Maar er bestaan beelden die horen tot een niet weg te redeneren werkelijkheid.

Op de middelbare school waar ik zat werden wij met enige regelmaat in de aula bijeengedreven om naar films te kijken die ofwel betrekking hadden op de wreedheden waarmee in Afrika de jacht op wilde dieren gepaard ging ofwel de verschrikkingen van de concentratiekampen in de Tweede Wereldoorlog breed uitmaten. Het woord Holocaust was in die dagen, begin jaren zestig, nog niet in zwang. Maar met `uitroeiing' kwam je ook een heel eind.

De ene keer zagen wij, vastgepind in onze houten stoelen, in grofkorrelig zwart-wit een berg verbleekt en verwrongen kreupelhout door een bulldozer een enorme kuil ingeschoven worden – waarbij het altijd even duurde voordat het tot je doordrong wat je eigenlijk zag – en de volgende keer was het een enorme zwarte olifant met diepe roze kraters in zijn vlees die als een flatgebouw dat wordt opgeblazen plotseling door alle vier zijn poten tegelijk zakte.

Ik kan me niet herinneren dat wij ons ooit afvroegen waarom wij dit soort beelden zo vaak te zien kregen en waarom ook steeds in die afwisseling van Auschwitz en Zambia. Misschien dat we er stilzwijgend van uitgingen dat het in ogenschouw nemen van het hele alfabet van menselijke onmenselijkheden `bij je ontwikkeling hoorde' – zoals opgroeien toen nog genoemd werd. Thuis en op de televisie bij de buren ging het ook heel vaak over de oorlog en in de bioscopen draaide Mondo Cane 1 en 2, de voorloper van Faces Of Death. Maar echt wennen deed het niet.

Natuurlijk was er ook sprake van lekker griezelen – echt diepe indrukken verspreiden zich nu eenmaal, bij gebrek aan ruimte, door alle lagen van het gemoed, ook door die waar de lust huist. Maar over het algemeen kwamen we met een knoop in onze maag weer naar buiten in de zwembad-akoestiek van de grote hal, een beetje huilerig soms en misselijk, maar vooral verslagen. Alsof we net ergens heel erg voor op onze donder hadden gekregen, en in feite hadden we dat natuurlijk ook.

Anne Frank Huis

De herinnering aan die benauwde filmdagen in de aula kwam laatst boven toen ik, ruim vijfendertig jaar later, voor de eerste keer van mijn leven in het Anne Frank Huis stond. Ik was er in eerste instantie om voor een radioprogramma de nieuwe aanbouw op de hoek van de Westermarkt en de Prinsengracht te bekijken en had er verder niet bij stilgestaan waar het huis zelf ook alweer voor stond. Ik wist het natuurlijk wel, ik wist het maar al te goed, maar ach, je weet zoveel en het Anne Frank Huis was altijd iets geweest voor de Amerikaanse en Italiaanse toeristen die daar met busladingen tegelijk voor de deur staan. Als Amsterdammer had je daar niks te zoeken en bovendien kon het altijd nog wel een keer.

Ik was nog niet binnen of ik stond al direct voor een groot videoscherm waarop ik weer die bulldozer zag die een berg stakerige ledematen een massagraf inwalste en ik schoot direct vol. Dat is op zich niets bijzonders. Ik schiet wel vaker vol en een verdienste is dat niet. Zeker in dit geval niet. Wie bij die beelden niet volschiet moet zich laten nakijken. Ook was het niet de eerste keer dat ik ze terugzag, bij lange na niet zelfs. Waar het om gaat is dat ik nu, naast de ondeelbare optelsom van afgrijzen, machteloosheid en schaamte, de steeds weer brutale overrompeling door het onvoorstelbare, ook een zekere mate van opluchting ervoer. Dat kan ik maar beter snel even proberen uit te leggen.

Het gaat vooral om herkenning, denk ik, met een h en zonder. Bij elkaar opgeteld is dat een vorm van rechtvaardiging, een fundament onder het wankele bestaan.

Voor alle duidelijkheid, ook al is het al bijna aanmatigend om er zelfs maar over te beginnen: ik wil mij op geen enkele manier ook maar het minste of geringste toeëigenen van wat die beelden voor wie er werkelijk weet van hebben concreet behelzen, in de verste verre verte niet. Dat zou net zo pervers zijn als ontkennen dat de gebeurtenissen die ze tonen ook werkelijk hebben plaatsgevonden. Waar het mij om begonnen is, is het gewicht van dat laatste `werkelijk'. Die beelden vormen namelijk niet alleen het bewijs voor de werkelijkheid van wat er in Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden, maar voor de werkelijkheid op zich – de harde kern ervan en de scherpe punt. Als dit niet echt is, is niets het. Of, korter nog: als dit niet is, is niets. En geloof me, dat is een kostbare ontdekking.

Wezenloosheid

Geef de media de schuld, de digitale revolutie, het goede leven, allemaal al dan niet in combinatie met onze ingeboren zucht tot wezenloosheid: feit is dat het merg wordt weggezogen uit wat wij ooit werkelijkheid noemden. Buiten de o zo algemeen gedeelde directe persoonlijke ervaring van `o wat leuk' en `ach wat erg' is de meeste weerstand er al uit, de weerbarstigheid eraf. De wereld is van marshmellow, denken wij, de realiteit gewoon een soap onder vele andere en behalve je eigen opwinding is er eigenlijk niets om je over op te winden, niet echt.

Als de tijd een dief is, en dat is-ie, is wat hij van ons steelt, onze jeugd, onze verwachtingen, kruimelwerk vergeleken bij wat wij allemaal aan harde waarheden verduisteren om dat kleine verlies mee te dekken.

Mijn rondgang door het Anne Frank Huis betekende een weerzien met iets dat al heel lang naar de verre buitenwijken van mijn bewustzijn was verdrongen, maar dat daarin, besefte ik nu, ooit een zeer centrale plaats had ingenomen. Niet als persoonlijke oorlogservaring, zelfs niet in de tweede graad, maar als dreunende echo van een collectieve ervaring die toen ik jong was nog duidelijk voelbaar in de lucht hing, en die niet alleen de scherpte-diepte maar ook het soortelijk gewicht bepaalde van alle denken over de toekomst, gesprekken in de huiskamer, de manier waarop mensen elkaar aankeken, en zelfs, denk ik wel eens, van het licht en het geluid zoals die tussen de huizen en de straatstenen weerkaatst werden.

Ik zeg niet dat iets beter of slechter is en zeker niet dat ik ergens naar terug wil, hoe mooi en muzikaal die woorden `ik ga terug' mij ook altijd in de oren klinken. Ik zeg alleen dat er, staande voor dat videoscherm vol horror, volschietend, heel even een band met het verleden werd hersteld waarvan ik vergeten was dat zij bestond én hoe sterk zij is – alsof ik mijzelf daar tegenkwam of inhaalde, niet als de jongen van toen, ook niet als de oude man van straks, maar allebei, vader en zoon tegelijk.

Wat ons, mij en mijzelf, verbond was het gevoel weer even op de bodem van de wereld te staan – waar het anker van de hele menselijke onderneming ligt. Van al het andere mag je bij tijd en wijle zeggen dat het niet echt is, illusie, maya, vergissing, maar hiervan niet. Dit laat zich niet wegtoveren, niet wegspiritualiseren of -virtualiseren tot iets wat je kunt aanklikken of niet. Dit komt niet in aanmerking voor debat, laat staan voor verschil van mening. Hier kom je niet omheen.

Net als om de liefde niet.

Stef: ,,Die zogenaamde sociale revoluties hebben in mijn ogen wel veranderingen, maar geen wezenlijke omkeringen gebracht. Voor mij zijn het meer different speeds on the same highway.''