Halte privatisering

DE TREIN VAN de privatisering hapert. Letterlijk, waar het de beursgang van de NS betreft, en figuurlijk nu de politieke steun voor de afstoting van overheidstaken begint af te kalven. In korte tijd is de Haagse houding ten aanzien van privatiseringen omgeslagen van `ja, mits' naar `nee, tenzij'. Dat kan een groot verschil maken, want er moet nogal wat gebeuren. Mede als gevolg van de Europese regelgeving staan de publieke sector verdere stappen in de richting van marktwerking te wachten.

Nederland begon in de jaren tachtig koortsachtig publieke diensten af te stoten omdat het nodig was het aantal ambtenaren snel te verminderen. Staatsdeelnemingen in bedrijven werden vervolgens op grote schaal naar de beurs gebracht. In de sociale zekerheid had een proces van verzelfstandiging en gedeeltelijke privatisering plaats. De laatste tijd gaat het om de liberalisering en privatisering van nutsbedrijven zoals het openbaar vervoer, de energievoorziening en waterbedrijven.

Terugkijkend over een periode van vijftien jaar is er heel veel veranderd. DSM en de PTT zijn geen staatsbedrijven meer maar dynamische, beursgenoteerde ondernemingen. De NS bevordert commerciële activiteiten op zijn stations en een deel van de sociale zekerheid is ondergebracht bij particuliere verzekeraars.

DE PRIVATISERINGSGOLF is inmiddels aangeland bij de `harde sector' van de overheid, de productie en distributie van basisvoorzieningen zoals openbaar vervoer, energie en water. Het aanvankelijke enthousiasme heeft plaats gemaakt voor aarzelingen: kunnen nutssectoren waarin sprake is van monopolies, wel in aanmerking komen voor marktwerking, liberalisering en privatisering? Anders gezegd: kan de overheid gemist worden als er sprake is van een infrastructuur van rails, buizen of draden?

Er zijn de afgelopen weken ook andere argumenten naar voren gebracht. Naar aanleiding van het ongeluk met de geprivatiseerde Britse treinen is gewezen op de veiligheidsaspecten. Maar het valt moeilijk vol te houden dat particuliere bedrijven zich niets gelegen laten liggen aan veiligheid. Anders zou de vliegtuigproductie of het autoverkeer beter in staatshanden gelegd kunnen worden. Een ander argument is de vrees dat bij privatisering de aandelen in buitenlandse handen kunnen komen, waardoor Nederland zijn greep op sleutelsectoren zou verliezen. Niet zo lang geleden werden dergelijke geluiden ook gehoord als het over nationale industrieën ging. Tegenwoordig speelt dit vrijwel geen rol meer. Dit zal ook voor nutsbedrijven gelden: als aardgas, energie of treinen zonder belemmeringen over de nationale grenzen kunnen, kan het aandeelhouderschap dat ook.

In het kabinet en de Tweede Kamer groeit het verzet. PvdA, D66 en het CDA geloven het wel. De liberalisering van de waterbedrijven is deze zomer geblokkeerd, de privatisering van de NS is op de lange baan geschoven. Alleen in de energiesector gaat de privatisering door. Al vraagt dat met name in de aardgassector nog veel ingrijpende veranderingen in de wetgeving. Via de Gasunie is de staat ten nauwste bij de aardgasexploitatie betrokken.

EEN PAS OP DE plaats kan geen kwaad als de tijd gebruikt wordt om na te denken over de problemen die rijzen bij de privatisering van monopolisten. Liberalisatie is dan een verstandige stap vooraf, al blijft het in het geval van de NS de vraag welke onderneming na de mislukking van Lovers nog bereid is op het spoor met de NS te concurreren. Een ander vraagstuk is dat van de regulering en het toezicht op nutssectoren als die aan marktwerking worden blootgesteld. Intussen gaan Europese ontwikkelingen en veranderingen in de economie gewoon door.

De ordeningsvraagstukken zijn door de terugtrekkende beweging van de politiek dan ook niet van tafel verdwenen. Wel is duidelijk dat de rol van de overheid verschuift van die van producent/distributeur naar die van toezichthouder/regelgever. Maar de grenzen aan de marktwerking zijn nog niet in zicht.