Geen toeschouwer behalve ikzelf

De toneelherinneringen van Erik Vos, de laatste bijna dertig jaar regisseur van De Appel, gaan uitsluitend over het toneel van Erik Vos.

Een halve eeuw is lang, zeker in het theater. Overdag wordt er gerepeteerd, 's avonds gespeeld en tot diep in de nacht geredetwist over visie, rolverdeling, decor. Voor menig theatermaker telt niets anders. Tropenjaren in de schouwburg. Afgesloten van de wereld. Regisseur Erik Vos (Hellendoorn, 1929) wijdde zich zo'n vijftig jaar aan het theater.

Vos begon als schuchtere zoon van een psychiater met het opvoeren van toneelstukjes in de kliniek van zijn vader in Oost-Nederland, richtte in 1970 Toneelgroep De Appel op en nam daarvan afscheid met Koning Oidipous/Oidipous in Kolonos (1996) van Sophocles. Bovendien ensceneerde hij opera's en deed gastregies in het buitenland, vooral Amerika en Duitsland. Honderden ensceneringen heeft hij op zijn naam staan. Een theaterman die nooit van wijken wilde weten. Hij is niet de enige regisseur met die Ausdauer. Hans Croiset, Gerardjan Rijnders en Ger Thijs tonen dezelfde verbetenheid; Ton Lutz heeft het toneel nooit vaarwel gezegd.

Voor de generatie regisseurs die aan hen voorafging, hield hun toneelbestaan echter wel ineens op. Het was op die zo onschuldig en feestelijk begonnen avond van donderdag 9 oktober 1969. De Nederlandse Comedie bracht in de Amsterdamse Stadsschouwburg Shakespeare's De storm als jubileumvoorstelling.

Han Bentz van den Berg regisseerde en speelde mee. Guus Oster zat in het bestuur van de Nederlandse Comedie. Wat toen voorviel, weet iedereen. Eerst kwamen de krantenberichten, de interviews, de herinneringen van de acteurs en tot slot de wetenschappelijke beschouwingen: uit onvrede met de burgerlijkheid van de Nederlandse Comedie gooiden leerlingen van de Amsterdamse Toneelschool tijdens de voorstelling tomaten naar het toneel. Twee dagen daarna, bij de volgende voorstelling, worden in de Stadsschouwburg pamfletten verspreid. Op de 17de oktober een stinkbom in deze pluchen ambiance. Het toneel zal na Aktie Tomaat nooit meer hetzelfde zijn als daarvoor. In korte tijd ging een heel toneelbestel op de helling om plaats te maken voor een nieuw. Toneelleider Bentz van den Berg is de slag nooit te boven gekomen; hij stierf na korte tijd. Guus Oster verdween uit de Stadsschouwburg. De Nederlandse Comedie werd voor het eind van het jaar opgeheven.

Zonder twijfel is Aktie Tomaat een belangrijke historische gebeurtenis. Zo'n moment in de geschiedenis, net zoiets als de bezetting van het Maagdenhuis, waaraan velen graag hun steentje hadden bijgedragen, of sterker: waarvan ze de aanstichter of aanzwengelaar wensten te zijn.

Ik was benieuwd naar wat Erik Vos in zijn pasverschenen boek In de arena. Toneelherinneringen over deze beslissende dagen in oktober zou schrijven. En vooral: hoe een regisseur reageert op zo'n felle aanval op toneel, immers zijn dierbaarste kunstvorm. Uit de herinneringen blijkt niet dat Vos de bewuste avond in de zaal aanwezig was. De 9de oktober ontbreekt in het chronologisch opgestelde boek. In elk geval repeteerde Vos in die tijd het stuk Ernst Toller van Tankred Dorst, uitgerekend voor de Nederlandse Comedie. Dat zou op 22 november, dus anderhalve maand later, in première gaan. In diezelfde brandhaard: de Stadsschouwburg aan het Leidseplein. Een maand eerder had Vos de artistieke leiding van het gezelschap verlaten. Waarom, dat wordt niet helemaal duidelijk. De Comedie was natuurlijk een zinkend schip. Het verzet ertegen was huizenhoog en kennelijk was Vos niet bij machte iets te redden.

Rookbommen

Over de première op de 22ste november noteert Vos: ,,Het stuk begint fascinerend. Het thema van de anarchist Toller is schokkend en direct bij het opgaan van het doek wordt het publiek deelgenoot van het drama. Rookbommen ontploffen tussen de decorstukken, revolutionaire studenten stormen vanaf het voortoneel de zaal in en pamfletten dwarrelen vanaf de zijbalkons naar beneden over de hoofden van de genodigden. Dwars door de rook heen rennen acteurs heen en weer over het podium, Han Bentz van den Bergs tekst wordt deels onverstaanbaar (-).' Hij besluit over zijn regie in strijdbare taal: ,,Eindelijk toont de Nederlandse Comedie lef.'

De werkelijke toedracht blijkt echter anders. Anarchistische studenten infiltreerden het gezelschap als figurant en zijn verantwoordelijk voor deze rebelse opstand. Dus, de Nederlandse Comedie toonde geen lef, zoals Erik Vos wil doen geloven. Dat deden de anarchisten. Vervolgens staat er de omineuze zin: ,,Vanaf de dag van de rookbommen worden voorstellingen onderbroken en acteurs met tomaten uit de zaal bekogeld.'

Dit is eenvoudigweg niet waar. Vanaf de avond van die 9de oktober werden de acteurs belaagd, dus anderhalve maand eerder. ,,Ook buiten de Schouwburg spelen zich taferelen af', herinnert Erik Vos zich. ,,ME-agenten brengen versperringen aan, lopen met helmen op en schilden in hun vuisten geklemd langs de Singel om studentenopstanden te breken. Het beeld van de stad wijkt nauwelijks af van wat op het toneel van de Stadsschouwburg heeft plaatsgevonden.'

In zijn honger naar heroïek en rebelse stellingname, ongetwijfeld ingegeven door de zo roerige tijden, heeft Vos zich Aktie Tomaat toegeëigend. Moeiteloos neemt hij vervolgens de stap naar de algehele studentenrevolte, die in niets zou verschillen van zijn regie van Toller. De vraag is: waarom ensceneerde hij die opstandigheid niet zelf, waarom deden anderen dat voor hem? Er staat immers duidelijk: ,,Vijf weken is gehoorzaam door hen gerepeteerd met het doel op de avond van de première de voorstelling te verstoren.' Vos heeft hen niet uitgenodigd en gevraagd eens van leer te trekken tegen dat verouderde bastion van de Comedie. Dat verzet kwam uit de studenten voort. Waarna Vos hun rebellie en agitatie tot de zijne maakt.

Vos verwart oorzaak en gevolg; de onlusten rondom Toller zijn het gevolg van Aktie Tomaat en niet de oorzaak. Het verzet tegen Toller was het gevolg van wat in Parijs van mei '68 en elders in West-Europa en in Amerika gebeurde. Toller is slechts een zandkorrel in de loop van de historie. Er kleeft geschiedvervalsing aan Vos' memoires uit het roemruchte jaar '69. Hij meet zich een grootheid aan die hem strikt genomen niet toekomt. Bovendien: koud is de Nederlandse Comedie opgeheven of Vos vertrekt, begin 1970, naar Amerika om in Georgia Hamlet te regisseren.

Vos' houding jegens deze cruciale verwikkelingen in het Nederlandse theater zijn symbolisch voor het hele boek In de arena. Vos schreef een zelfportret waaruit een bezeten, bevlogen en door niets te temperen regisseur te voorschijn treedt, een man geobsedeerd door de grote vragen en mysteries van het bestaan, vervuld ook van de reuzen van de toneelliteratuur zoals Aischylos, Sophocles, Shakespeare, Tsjechov, Pinter.

Maar, vermoedelijk onbewust, dichtte hij ook zijn eigen hagiografie, zo vervuld is hij van zijn ideeën, zijn manier van werken met improvisaties voor de acteurs, zijn visie op het theater. Hij is de regisseur van door trommel en paukenslag ritmisch geënsceneerde voorstellingen. Alles is `oer' bij zijn gezelschap. Het zand als speelvloer in de eigen arena van het Appeltheater in Scheveningen, het gebruik van windmachines, zeildoeken, stokken, hout, water, onopgesmukt katoen voor de kostuums. Vos' wijze van regisseren is nooit naturalistisch geweest, eerder mythisch, gedragen door symboliek en afkerig van de eenvoud van het alledaagse. Zelfs van kleinburgerlijke mensen, opgesloten in de benauwenis van hun milieu als bij Tsjechov, maakt hij personages die op zijn minst iets van halfgoden hebben. Altijd zwaartillend van karakter, de last van het leven op hun rug dragend, snel geëmotioneerd.

Ik ben, zonder voorbehoud, door tal van zijn voorstellingen geraakt; speels, lichtvoetig, zonnig of humoristisch waren ze zelden. Zijn ensceneringen van Shakespeare, zoals De Storm (1976), Koning Lear (1981) en Hamlet (1988) bewaar ik als levendig en vooral dramatisch-spannend in mijn geheugen. Mahagonny (1980) was een verrassing; zo speels en cabaretesk kan Brecht ook gespeeld worden, zonder een spoor van hardvochtige leerstelligheid. In 1977 betekende de Oresteia-trilogie van Aischylos, met Peter van der Linden als een furieuze koningin Klytaimnestra, een openbaring. Het Griekse treurspel als enerverend schouwtoneel. De tragedie Ghetto (1987) van Joshua Sobol voltrok zich in de gedoemde Poolse stad Wilnis, waarvan alle joodse inwoners wachten op het einde. Toch studeren ze verder, geven zelfs oog in oog met de dood een feest.

Triomf

Het woord `gevecht' is het sleutelwoord uit deze toneelherinneringen. De titel geeft het al aan: de arena als plaats van rite, strijd en dood. Elk stuk, elke voorstelling, is aanvankelijk een gevecht; en wonder boven wonder mondt elke voorstelling uit in een triomf. Het zijn rijke en vaak gloedvolle bladzijden die Vos schrijft over dat gevecht met de materie. De toneelschrijvers en Vos' werkwijze komen beslist dichterbij. Vaak moet een enkel rekwisiet een acteur of actrice helpen om een rol gestalte te geven.

Dit gevecht gaat uitsluitend tussen Vos en de tekst, nooit verwijst hij naar eerdere regies, er is geen polemiek in zijn verhouding tot de theatergeschiedenis. Met Aischylos verkeert hij op voet van filosofische gelijkwaardigheid; tijdgenoten bestaan niet. Rijnders regisseerde ooit een schitterende Drie zusters van Tsjechov als reactie op de zwaarbeladen voorstellingen van Peter Sjarov. Deze houding, die nieuwsgierigheid naar de opvoeringsgeschiedenis verraadt, is Vos vreemd. Evenals belangstelling voor wat er in die halve eeuw Nederlands toneel gaande was op onthutsende wijze ontbreekt. Het Werktheater, Proloog, Baal, Onafhankelijk Toneel, Publiekstheater, en later het Zuidelijk Toneel, De Trust en Toneelgroep Amsterdam: niets bestaat. Of er in die tijd geen belangwekkende voorstellingen werden gemaakt, en alsof de toneelgeschiedenis begint en eindigt met deze regisseur en zijn spelers op dat eiland van het Appeltheater vlak voor de kust bij de Binnenhaven van Scheveningen. Niets van wat leeft in de buitenwereld dringt daar door. Het is het beschermde, afgelegen eiland der solipsisten.

In de `Prelude' schrijft Vos, even ernstig als regisseur Vos: ,,Het toneel is leeg. Geen geluiden zijn hoorbaar, althans niet de geluiden van de dag. Die is ongemerkt tijdens de repetitie-uren voorbijgegaan. (-) Toch is de nacht aangenaam. In de lege ruimte die het toneel nu is, kan de verbeelding gemakkelijk met je op de loop gaan. Om mij heen zijn alle stoelen onbezet, geen toeschouwer behalve ikzelf.'

Op de meer dan vierhonderd bladzijden die volgen beschrijft Vos inderdaad dat lege toneel dat, dankzij zijn verbeeldingskracht, met scènes en personages wordt bevolkt. Het gaat over hemzelf, uitsluitend. Dat is, natuurlijk, het goed recht van elke memoireschrijver. Als lezer snakte ik echter naar adem en kreeg steeds meer het idee in Vos' universum te zijn opgesloten. Waarom gaan de ramen en deuren nooit eens open? Hoe houdt iemand het al die jaren vol, die intense en nietsontziende concentratie op zijn eigen leven, zijn eigen theater? In de arena krijgt betekenis door alles wat verzwegen wordt. Het is het relaas van een man die, net als Hans Castorp in Thomas Manns De Toverberg, zichzelf ver weg van de wereld heeft opgesloten. Om te overleven. Vandaar die volharding. Uiteindelijk vond ik het schokkend.

Erik Vos: In de arena. Toneelherinneringen. Uitg. De Bezige Bij, 416 blz. Prijs fl 49.90.