Een gevaarlijke injectie

De vertaling van Marcel Prousts romancyclus `Op zoek naar de verloren tijd' werd onlangs voltooid. Vertaalster Thérèse Cornips kreeg er deze week de Nijhoff-prijs voor.

Zo wilde ik beginnen: Met enige moeite heb ik Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust van de eerste tot en met de laatste bladzijde gelezen. Maar dat zou de indruk kunnen wekken dat ik blind ben voor het hooggebergte dat het oeuvre van Proust heet te zijn. Die indruk moet worden voorkomen. Tenslotte heb ik dat hooggebergte eigenhandig beklommen.

Daarom begin ik zo: op de gekste plekken duikt Marcel Proust op. In een recensie over een postuum uitgegeven roman van Hemingway wordt Proust, samen met Joyce en Hemingway, tot de grote stilisten van de eeuw gerekend. (New York Times). Wat je je doet afvragen of een groot stilist hetzelfde is als een groot schrijver. In een column over snobisme beweert de columnist het volledige oeuvre van Proust in origineel handschrift bij kaarslicht te hebben gelezen. Dat is dus een grap. (International Herald Tribune).

Een Amerikaanse schrijfster vertelde dat zij voor zij gaat schrijven altijd eerst een paar pagina's Proust in het Frans leest en dan diezelfde pagina's in het Engels. Dit is geen grap. (New York Times).

Verder zijn er boeken als Proust, the body and literary form van Michael R. Finn en Marcel Proust, a study in the quality of awareness van Edward Hughes. Combray, het eerste deel van de verloren tijd, is verkrijgbaar als stripverhaal. Voor de betere conversatie is er dan nog het Madeleinekoekje van Proust waarnaar wel verwezen moet worden door mensen die alleen over Proust hebben gelezen, of het van horen zeggen hebben, anders hadden ze hem niet zoveel onrecht gedaan.

En mocht er een top-100 worden samengesteld met de beste romans van deze eeuw dan hoef je er niet aan te twijfelen dat Op zoek naar de verloren tijd bij de top-tien zal zitten, misschien wel op nummer 1. Veel verder dan dit gaat onsterfelijkheid niet, voor een schrijver althans. Proust moet hebben doorzien dat onsterfelijkheid en het Madeleinekoekje vervaarlijk dicht bij elkaar liggen. In het laatste deel van Op zoek naar de verloren tijd schrijft hij: ,,De eeuwige duur is voor een oeuvre evenmin weggelegd als voor de mens.''

De tijd knaagt niet alleen aan mensen, maar ook aan boeken, en dan vooral aan de schoonheid van die boeken. ,,Je aanvaardt de gedachte'', schrijft Proust, ,,dat over tien jaar jijzelf, over honderd jaar je boeken er niet meer zullen zijn.'' Het idee van een onveranderlijke voortdurende schoonheid blijkt, in ieder geval als het om literatuur gaat, een illusie. Wat vandaag voor mooi doorgaat, is over 40 jaar belachelijk, en heel misschien over 120 jaar weer mooi, maar veel waarschijnlijker over 120 jaar volledig vergeten. Schoonheid heeft effecten. Op degene die kijkt, bijt, leest of likt. Kortom op degene die die schoonheid ondergaat. Schoonheid is geen idee, iets dat al bestaat en alleen nog teruggevonden hoeft te worden, zomin als een lepel een idee is van een lepel. Ook een lepel geschilderd door een geniale kunstschilder blijft een lepel, een hele mooie lepel misschien, een lepel die een ander effect op ons heeft dan het plastic lepeltje dat je in de trein bij je koffie krijgt, maar wel een lepel. Zoals je een lepel aan de vorm herkent, zo herken je schoonheid aan haar effecten. Eén van de effecten van schoonheid in een boek is dat je door wilt lezen. Natuurlijk is door willen lezen geen bewijs voor de schoonheid van het boek, maar het zou een indicatie kunnen zijn dat er in het betreffende boek schoonheid gevonden kan worden.

En als de lezer niet wil doorlezen, ligt dat niet altijd aan de schoonheid, maar soms ook aan de lezer. ,,Het herkennen in zichzelf, door de lezer, van wat het boek zegt, bewijst de waarheid ervan en vice versa'', schrijft Proust, ,,althans tot op zekere hoogte, aangezien het verschil in beider tekst vaak te wijten is, niet aan de auteur, maar aan de lezer.''

De lezer gaat niet altijd vrijuit en Proust is zo slim vlak voor het einde, na honderden bladzijden, de lezer daar nog even fijntjes aan te herinneren. En nog eens 100 bladzijden verder, als we nog maar een paar pagina's van het definitieve einde verwijderd zijn, geeft hij zelfs aan hoe zijn boek gelezen moet worden, en misschien niet alleen zijn boek, maar alle boeken. Proust beweert niet aan zijn lezers te denken, want het zijn niet zijn lezers: ,,Want zij zouden volgens mij niet mijn lezers zijn, maar lezers van zichzelf, mijn boek maar een soort van die vergrotende brillenglazen zijnde zoals die de opticien van Combray een koper voorhield; mijn boek, waar ik hun een middel mee zou verschaffen om in zichzelf te lezen. Zodat ik hun niet vragen zou mij te loven of neer te halen, maar alleen maar mij te zeggen of het dat is, of de woorden die zij in zichzelf lezen inderdaad de door mij geschrevene zijn.'' En dan volgt tussen haakjes opnieuw een voorbehoud dat de lezer misschien niet behoort tot het soort dat geschikt is om Proust te lezen.

In één zin geeft Proust een programma hoe je romans moet lezen. Niet als een buitenstaander, niet als een passagier in een bus die door een safaripark wordt gereden en veilig wat wilde dieren kan bekijken, niet als een quasi-objectieve instantie die even de schoonheid van een boek gaat meten en dan gaat loven of neerhalen. Proust heeft de vraagstelling aangereikt waarmee je de effecten van schoonheid zou kunnen meten. Heb ik mijzelf gelezen? Waren de woorden die ik in mij las geschreven door Proust? Het blijft een rare constructie, die laatste zin, alsof Op zoek naar de verloren tijd al in mij bestond en Proust de woorden alleen nog maar wakker hoefde te kussen. Of dat het woordeloos in mij bestond, en dat Proust slechts hoefde te formuleren wat ik intuïtief al voorvoelde. Misschien kan hij daarom zijn roman ook een middel noemen.

Godzijdank hoef ik geen constructie meer te wegen, geen spanningsboog, noch melding te maken van personages die op bladzijde veertig sterven om op bladzijde tachtig weer springlevend te zijn, noch van de voetnoot van de vertaalster waarin zij meldt dat dit een fout in het manuscript is. Proust wenst een actieve lezer. En als hij schrijft, ,,weliswaar zijn wij gedwongen ons leed andermaal te beleven met de moed van de arts die de gevaarlijke injectie bij zichzelf overdoet'', bedoelt hij met `wij' niet de schrijver, zoals ik eerst dacht, maar de schrijver en de lezer samen.

En alleen zo, als de lezer zichzelf leest, kunnen boeken gevaarlijk zijn. Met gevaarlijk bedoel ik niet dat volksdelen zich beledigd voelen en Kamervragen worden gesteld. Dat soort gevaar heeft te maken met de goede smaak en die hebben we nu toch wel achter ons gelaten. Elke schrijver probeert de definitie van schoonheid te veranderen, zijn werk is die veranderde definitie van schoonheid, of die definitie geaccepteerd wordt doet er even niet toe. Zij die niet proberen de definitie te veranderen en alleen kopiëren wat al geaccepteerd is kunnen, volgens de stelling van Proust, de lezer nooit zichzelf laten lezen, in dat geval namelijk kan geen woord, geen zin, geen alinea in de lezer wakker worden gekust, want het is allang wakker gekust, het ligt al te rotten.

Met gevaar bedoel ik een gevaar dat nooit het nieuwsgedeelte van de krant zal halen noch het journaal, en dat ook nooit gevaarlijk kan zijn voor instanties en groeperingen, want instanties en groeperingen schrijven noch lezen, maar het gevaar van de lezer die zichzelf leest, die meent: dit gaat over mij, ik sta hier ter discussie, niet men, de oorlog van 1870, de society in Parijs van 80 jaar geleden, maar ik. En het lijkt me dan ook dat Proust dat bedoelt met `gevaarlijke injectie' en nu begrijp ik ook waarom hij het heeft over een gevaarlijke injectie `overdoen'. Overdoen, dus die injectie is al eens gegeven.

Alles wat in De verloren tijd staat is al meegemaakt, niet alleen door Proust, maar ook door de lezer. Alleen was deze laatste nog niet in staat werkelijk te ervaren wat hij had meegemaakt, omdat er nog geen woorden voor waren gevonden. Proust suggereert, meen ik, dat elke ervaring, streling, geur, kniebuiging, verkoudheid, pas volledig tot ons kan doordringen als er woorden voor zijn gevonden.

Lezen en schrijven zijn dan ook geen aanvulsel op het leven, of een compensatie voor het niet kunnen leven, maar veeleer voor een aanzienlijk gedeelte het leven zelf. Zonder reflectie is de daad overbodige versiering, en reflectie vereist woorden, en woorden zijn eerst en vooral het gereedschap, het domein van de schrijver. Het is een standpunt dat wel enige emotie losmaakt. Omdat het in eerste instantie onwaar lijkt, in tweede instantie onhoudbaar en in derde instantie diep-tragisch. Wie boeken met het leven verwart, bevindt zich op een hellend vlak en wie in boeken het leven meent te vinden, is eigenlijk al beneden. Of is dat het standpunt van degene die die gevaarlijke injectienaald toch maar niet bij zichzelf wilde inbrengen?

Heb ik mijzelf gelezen in Op zoek naar de verloren tijd?

Zelden. Vaker niet, dan wel. Het kan zijn dat ik de naïeve lezer ben, waarover Proust spreekt, voor wie boeken te duister en te geleerd kunnen zijn. Die mogelijkheid, hoe waar ook misschien, zal ik even niet verder exploiteren. Er is veel waarom ik van Proust zou moeten houden. De verteller, Marcel, zoekt deel na deel, eerst en vooral naar genot. En die verloren tijd begrijp ik vooral ook als genot dat niet tot stand kwam, wel werd gezaaid, maar nooit heeft gebloeid, uitgerukt door herfststormen, verdroogd in de zomer, gestorven tijdens nachtvorst in mei. De verteller heeft, schijnt het, veel wat in zijn voordeel spreekt, op een zwakke gezondheid en een hoge mate van nervositeit na, en toch is hij doordrongen van een diepe alles overwoekerende ontevredenheid. Je zou de cyclus kunnen lezen als lessen in lijden en dan niet in de christelijke zin van het woord. Het lichte, het elegante lijden, staand in een salon in gesprek met Baron de Charlus, sprekend over de Dreyfus-affaire, denkend aan een afspraak met Albertine, van wie je eigenlijk toch maar niet houdt.

De verteller vindt zichzelf overduidelijk beter dan ieder ander, op zijn grootmoeder na misschien, en vooruit, zijn mama. De tand des tijd mag dan onverbiddelijk zijn, de tand van Marcel Proust mag er ook wezen. Personage na personage valt in belachelijke hoopjes stof uiteen. Geen aansteller blijft onontmaskerd, en in vrijwel iedereen schuilt een aansteller, een hypocriet; egoïsme vermomd als weldoenerij, en elk menselijk contact een kwestie van vorm. Een vorm die door de ogen van Proust net zo belachelijk, komisch en treurig is als voor ons de curieuze gebruiken van een vrijwel vergeten stam op een eiland in de Indische Oceaan. Marcel komt er verreweg het beste vanaf. De grootste portie mededogen hebben wij nu eenmaal voor onszelf bewaard, en wie kan daar op tegen zijn?

En dan heb ik nog niet de stoet van meisjes vermeld, soms ook naamloos, die door dit boek trekken en die steeds weer verliefdheden in Marcel losmaken. Want in zijn ogen is het object waarop onze liefde zich richt per definitie een toevalligheid. Geen keuze, noodlot, of zielsverwantschap, maar toeval, beschikbaarheid. Gilberte, Albertine, mevrouw de Guermantes, een melkmeisje, ze bestaan vooral in de fantasie en de onwetendheid van Marcel. Ook pure liefde blijft een verdwaalde kogel.

In de schaduw van de bloeiende meisjes heet een deel, en Marcel bevindt zich eigenlijk van begin tot eind in de schaduw van de bloeiende meisjes, zelfs als hij als kleine jongen tevergeefs wacht op een nachtkus van zijn mama, want toen was zijn mama natuurlijk ook nog een bloeiend meisje. En waarom dan heb ik mijzelf zo weinig gelezen? Vooral door de zinnen van Proust. Niet door alle zinnen, maar wel door veel, heel veel van zijn zinnen. Ook niet door de lengte van die zinnen, hoewel hij inderdaad een voorkeur heeft voor zeer lange zinnen, en ik mij vaak heb afgevraagd waarom zo'n lange zin te verkiezen is boven vier kortere.

Natuurlijk is een zin van een halve pagina die bestaat uit 16 bijzinnen een hoogstandje. Maar schoonheid is niet het besef van de lezer dat hij een hoogstandje heeft bijgewoond. En desondanks, het zit niet in de lengte. Er sluipt geregeld in Prousts zinnen iets sacraals, iets verhevens, iets slepends, waardoor zijn taal gaat galmen, alsof zij werd uitgesproken in een kerk. Een voorbeeld uit De gevangene:

,,Maar al spoedig, het juichende van de klokken verdreven, uiteengejaagd zijnde door andere motieven, werd ik weer door die muziek gepakt; en ik besefte dat, waar zich binnen dit septet om beurten verschillende elementen vertoonden om aan het eind samen te gaan, zijn sonate evenzo, en naar ik later te weten kwam zijn andere werken, alle ten opzichte van dit septet niet dan schuchtere aanzetten waren geweest, verrukkelijk mooi maar wel zeer broos naast het zegenpralende, volslagen meesterwerk dat op dat ogenblik werd geopenbaard.''

Er staan nog veel ingewikkeldere zinnen in De verloren tijd, en dit voorbeeld is niet unfair voor Proust. Hier en daar overschrijdt zijn toch al zwaar geparfumeerde proza de grens en had ik het gevoel dat een flesje verbaal reukwater over mij heen werd gegooid, waarachter niet verschrikkelijk veel betekenis meer schuilging.

Proust schrijft ook hele mooie en effectieve zinnen, waarvan een voorbeeld uit De tijd hervonden II: ,,Overigens, Odette bedroog M. de Guermantes, en verzorgde hem ook, zonder gratie, zonder grootheid. Zij was middelmatig in deze rol zoals in alle andere.''

Wat is me bijgebleven van De verloren tijd?

Swann die Odette, zijn minnares, denkt te betrappen, maar door het verkeerde raam naar binnen gluurt en alleen maar twee oude mannetjes ziet. Meneer de Charlus, die van mannen houdt, maar door de Eerste Wereldoorlog zijn mannen nogal schaars in Parijs, daarom neemt hij zijn toevlucht tot jongetjes. Zijn verval, zijn waardigheid.

De liefde van Marcel voor Albertine die eigenlijk uit niets dan jaloezie bestaat. En die daarom nog na haar dood kan voortduren. Jaloezie lijkt Proust te zeggen, stelt ons in staat ons eindelijk werkelijk voor de ander te interesseren. Niet dat we daardoor meer zien, want jaloezie vertekent juist de werkelijkheid, maar in ieder geval brengen we dankzij de jaloezie interesse op voor anderen. Jaloezie is geen afscheiding van de liefde, geen residu ervan of een bijwerking, zoals bij medicijnen, het is de liefde zelf. Marcel zet Albertine gevangen om de kans te verkleinen dat zij nog relaties onderhoudt met andere vrouwen. Maar het helpt niet, want je kan alleen liefhebben wat je niet bezit. Bovendien ziet hij in de kleinste toespeling het bewijs voor haar ontrouw, elk verloren uurtje dat hij haar alleen moet laten kan het fatale uurtje zijn. Zoals generaals over troepenbewegingen spreken, zo spreekt Marcel over zijn relatie met Albertine. Zelfs als hij het met haar uitmaakt is dat een manoeuvre, een schijnbeweging, om hun samenzijn nog even te rekken, hun lijden nog even voort te laten duren. ,,Bedrog is essentieel voor het mensdom. Het speelt misschien een even grote rol als de hang naar genot, en wordt trouwens gedicteerd door die hang. Men liegt om zijn lusten veilig te stellen, of zijn eer als de openbaarmaking van die lusten in tegenspraak is met het eergevoel. Men liegt zijn hele leven, zelfs vooral, misschien alleen maar, tegen wie ons liefhebben.''

Door die vergelijking met troepenbewegingen begreep ik iets over Marcel en de anderen, dat ik daarvoor nog niet had begrepen. Niet alleen Marcel is de meester van de schijnbeweging, en ook hij niet alleen met betrekking tot Albertine. Vrijwel alle personages zien in de schijnbeweging hun levensvervulling, in die vorm de essentie van het leven. De Eerste Wereldoorlog woekert niet ver van Parijs, maar men drinkt nog zijn orangeade, men bespreekt nog een mesalliance, men haakt nog naar genot en aanzien, en zoekt het leven waar het slechts zeer zelden wordt gevonden. Niet omdat het niet geleefd kan worden, maar omdat men er liever niet aan begint; om niet te hoeven voelen wat je mist. Als je niet per se hoeft, daal je ook niet af in een kolenmijn.

Parijs wordt gebombardeerd, maar bij de Verdurins zijn er de woensdagavonden en dragen tot actrice opgeklommen rendez-vousmeisjes fabels voor. Men laat zich door de tijd kneden, maar dat is dan ook de uiterste concessie die men aan het leven doet. En de kunst, zegt Marcel, is het ware Laatste Oordeel.

Maar voor wie?

Erg mild zal dat ware Laatste Oordeel niet uitvallen, want Proust zegt ook, en daar heeft hij zonder twijfel gelijk in, dat men in ieder werk diegenen kan terugvinden die de kunstenaar heeft verfoeid. En verder zijn me koetsjes bijgebleven. Veel koetsjes, waarin wordt gereden naar minnaressen, waarin wordt gewacht op antwoord, waarin wordt geschuild voor de regen, waarmee men hoopt zijn geliefde te betrappen. Het koetsje is het vervoermiddel van de jaloezie, dat weet ik, dankzij Proust, nu zeker.

Die bombastische taal vol versleten metaforen en holle bijzinnen waar Proust zo vaak gebruik van maakt, en waarvoor ik doof ben gebleven, die mij een tragisch misverstand schijnt, moet wel een keuze zijn, want wie tien geniale zinnen kan schrijven, kan er ook 100 op papier krijgen. Een keuze wellicht om recht te doen aan de complexiteit van de werkelijkheid? Maar hoeveel complexiteit verdraagt een werk, hoeveel subtiliteit, hoeveel nuances? Hoeveel complexiteit gaat er eigenlijk in taal? Is taal niet per definitie een vereenvoudiging, een kwestie van weglaten en overslaan, in de hoop dat dat wat blijft het essentiële is. En is het verstandig dat de schrijver zich bewust is van taal als redelijk ondeugdelijk gereedschap? En is dit het antwoord van Proust op dat ondeugdelijke gereedschap?

Of is het veel simpeler, volgt de stijl de inhoud? Die taal vol retoriek en teloorgegane schoonheid die ik intens heb leren haten – hoe kan je zo dichtbij een mooi boek zijn en het dan zo verkwanselen? – die taal is de zoveelste schijnbeweging, de zinnen van Proust die vaak over schijnbewegingen gaan, zijn zelf schijnbewegingen. Dit keer een schijnbeweging om de lezer heen. Een schijnbeweging in het luchtledige, want misschien is de lezer er niet meer, opgehouden in zichzelf te lezen, omdat het te veel galmde en zelfs een beetje rond begon te zingen. Als het niet voor de krant was geweest, had ik opgegeven, na een deel of drie, misschien zelfs eerder, en was ik Albertine en Marcel en M. de Charlus misgelopen.

,,De ware paradijzen zijn de paradijzen die je hebt verloren'', schrijft Proust.

Ook de lezer is een verloren paradijs.

Selene: ,,Wij maken verschil tussen entertainment en vermaak. Entertainment is veel breder. Entertainment kan ook pijn, verdriet en lijden in zich hebben. Entertainment is een positieve waardering van die gevoelens.''