Echte mannen, veel drank en politiek

Twee decennia was het kwaad benoembaar. De kas leeg, de gevangenissen vol, de jeugd verwekelijkt: het was de schuld van Den Uyl. Zijn kabinet heeft vier jaar geregeerd. Dat was voldoende voor twintig jaar klaagzang. Driest was het politieke klimaat medio jaren zeventig inderdaad. Maar twee studies nuanceren nu de mythen, waaraan voor- en tegenstanders zich hebben gelaafd.

Wim Duisenberg heeft thuis een kelder. Er staat een tafeltennistafel, er is drank en er wordt niet over politiek gepraat. Premier Joop den Uyl kan er, met die stijve forehand, als een razende pingpongen, zijn ministers mogen er zuipen. Een van de stamgasten is Henk Vredeling, minister van Defensie. Op een nacht – het is drie uur, Duisenberg ligt al in bed – gaat de bel. De minister van Financiën doet open. Vredeling staat op de stoep, naar eigen zeggen een `rare kloot' en altijd in om `lekker aan de whisky te likken'. `Ik wilde even kijken of het nog open was', zegt hij. Alsof het normaal is dat de publieke macht 24 uur per etmaal doordraait.

Het is een anekdote uit De verbeelding aan de macht van politicoloog Peter Bootsma en journalist Willem Breedveld. Eén uit een hele reeks gekke verhalen, waarin Vredeling niet zelden figureert. Vaak gaan ze over drank, hoewel Den Uyl in de ministerraad pas om half zes een glaasje sherry serveert en de bewindslieden dus lang moeten wachten voordat de kraan echt open gaat. Soms gaan ze over vrouwen, bijvoorbeeld als Liesbeth den Uyl of Irene Vorrink in het spel zijn. Maar altijd gaan ze over politiek, in haar meest gepassioneerde vorm.

Wat we een kwart eeuw naderhand ook van het kabinet-Den Uyl (1973-1977) mogen vinden, dit `rode kabinet met een wit randje' was zeker het raarste uit de naoorlogse geschiedenis en als zodanig een vreugde voor menigeen. Zeker met terugwerkende kracht, nu het openbaar bestuur in Nederland zich nimmer meer te buiten gaat aan doldrieste avonturen en de bureaucratie het land stilzwijgend in haar ijzeren greep heeft gekregen. Daarom is het een genoegen om met De verbeelding aan de macht verantwoord én schaterend weg te dromen naar een politiek Gouden Tijdperk. Een tweede verdienste van het boek is dat de auteurs aannemelijk maken dat het kabinet-Den Uyl op de keper beschouwd niet van zijn tijd is geweest. Het werd bevolkt door politici die zelf waren opgegroeid in de koersvaste jaren vijftig, in het decennium daarna de klok hoorden luiden en pas in de jaren zeventig op zoek konden naar de klepel.

Ouwe zakken

Dat anachronisme krijgt reliëf omdat Bootsma en Breedveld terugkijken via de hoofdrolspelers zelf en dus door een gekleurde bril. Omdat ze toegang hebben gekregen tot de notulen van de ministerraad en het persoonlijke archief van Ed. van Thijn, steekt hun mooie monografie uit boven eerdere boeken over het kabinet-Den Uyl, ook al hebben ze voor de wereld buiten de Haagse kringen amper oog. De culturele en economische metamorfose van Nederland blijft zwak belicht. Soms vergissen ze zich. De actie `Joop Atoom' begin jaren tachtig, bijvoorbeeld, werd volledig geïnstigeerd door PSP'ers uit Amsterdam en niet door partijgenoten van de geplaagde PvdA-leider. Maar zo'n foutje is geen onoverkomelijk bezwaar.

De formatie van het `extraparlementaire' kabinet-Den Uyl ging met zoveel dolle barensweeën gepaard, dat het daarna eigenlijk niet meer normaal kón worden. Het begon allemaal op de ochtend van 14 oktober 1966, de val van het `rooms-rode' kabinet-Cals in de Nacht van Schmelzer. Daarna slaan bij de PvdA de stoppen door. De `oude zakken' in de partij moeten verwijderd worden, weet Nieuw Links. Resultaat? Van 1966 tot 1973, de zeven vette jaren van de culturele revolutie in Nederland, staat de PvdA buitenspel. Met het verkiezingsprogramma Keerpunt 72 moet de herovering van de macht haar beslag krijgen. De vervroegde verkiezingen in 1972 scheppen daartoe ruimte. Maar binnen de PvdA zijn er weinigen die begrijpen dat zo'n ambitie ook enige behoedzaamheid vergt. Jaap Burger, één van de `ouwe zakken', verstaat die kunst wel. Samen met staatsraad Ruppert bewerkt hij de PvdA en daarna enkele ARP'ers, die genoeg hebben van hun leider Barend Biesheuvel, respectievelijk wankelmoedige KVP'ers die onder de plak van fractievoorzitter Frans Andriessen zitten.

Eerst is de PvdA aan de beurt. Burger passeert partijleider Den Uyl. Die `kan namelijk geen kabinet formeren' omdat hij `zijn eigen club te serieus' neemt. Vervolgens introduceert Burger het woord `gedogen', dat nog een lange staat van dienst zou krijgen. Waarna de inbraakoperatie onder twijfelende confessionelen kan beginnen. En wel volgens het adagium `openbaarheid uit opportunisme'. AR-minister Jaap Boersma van sociale zaken zegt `ja', maar vergeet een uur geheimhouding te bedingen. Terwijl hij op weg is naar Biesheuvel heeft Burger diens overstap al via het ANP bekend gemaakt. Als De Gaay Fortman bewilligt, sneuvelen de eerste KVP'ers die vooral op hun `opportunisme' worden uitgezocht.

Burgers partijgenoten staan ook vaak versteld. Zoals Vredeling, die bij hem thuis wordt uitgenodigd. Er wordt gegeten met een goed glas wijn. Daarna gaan ze naar het rommelkamertje boven, voor koffie met een bel cognac. Burger weet wel raad met Vredeling: `We hebben met jouw praatjes niks te maken. Als wij vinden dat jij Defensie kan doen, dan telt dat. Wat je zelf vindt, telt niet'. Vredeling weigert toch, gaat weg en Burger belt Den Uyl: `Henk doet het'. Vredeling doet het inderdaad.

Daarna kan het kabinet-Den Uyl beginnen met zijn maatschappijhervormingen onder een `parool' dat is ontleend aan het Oude Testament: `Waar visie, waar uitzicht ontbreekt, komt het volk om'. De bron is geen toeval. Bij de beëdiging hebben opvallend veel ministers met opgestoken vingers de eed afgelegd. PPR-minister Trip merkt het in zijn dagboek op: `Dit meest linkse kabinet dat Nederland ooit kende is tevens het meest confessionele'.

Terwijl de buitenwereld denkt dat het om de tegenstelling links-rechts gaat, loopt de echte scheiding in het Catshuis langs een andere lijn: het is vooral protestant tegen katholiek. Als het spannend wordt, zoekt bijvoorbeeld de katholieke PvdA'er Jos van Kemenade (Onderwijs) eerder een uitweg richting de KVP dan zijn confessionele collega Boersma. Evenmin toevallig hebben de protestanten ook de meeste lol in de eindeloze nachtelijke vergaderingen waarop Den Uyl het patent heeft. Tegen het ochtendgloren tikt de secretaris van de ministerraad de knikkebollende Jan Pronk een keer op de schouder met een briefje: `Jan, g.v.d. wakker blijven, want de toekomst van het kabinet staat op het spel! Joop'. De katholieke bewindslieden denken er anders over. Van Agt: `De schepper heeft de nacht voor iets anders bestemd dan om te vergaderen in het Catshuis'.

Eigenlijk is Hans Gruijters (de eenzame D66'er die vaak in een boek neust omdat hij immers `niet met zijn oren leest') de enige niet-confessionele minister. Zijn ironie (`President, uw avondvergadering komt in gevaar', zegt hij, als ze 's middags een keer opschieten) snijdt hout. Want `die socialisten die daar zaten, dat was natuurlijk een geborneerd stelletje, zeg. Nondeknetter!' Of, zoals Van Kemenade achteraf signaleert: `Joop den Uyl heeft zich verkeken op het verschil tussen protestanten en katholieken'. Met name vice-premier Dries van Agt (volgens Andriessen `beton met een bloemetje ervoor') begrijpt hij niet. Dat gaat zover dat de premier, terwijl Van Agt naast hem iets te berde brengt, zichtbaar op een papiertje `onzin' noteert.

Dit onbegrip wreekt zich op bijna alle momenten dat Den Uyl zijn doel `spreiding van kennis, inkomen en macht' dichterbij wil brengen. Pronk zit altijd met het rood-gekafte Keerpunt op schoot. `Keerpunt, daar veeg ik mijn gat aan af', vindt Vredeling op zijn beurt. Het kabinet is koud geïnstalleerd, of het wordt een bende. Dat ligt deels aan de ministers, deels ook aan de boze buitenwereld. Het begint in oktober 1973 met de Yom Kippoer-oorlog in het Midden-Oosten en de oliecrisis. Buiten medeweten van Max van der Stoel van Buitenlandse Zaken besluit Vredeling tot een luchtbrug naar Israel. Tegelijkertijd moet het kabinet een economische koers bij tegenwind uitzetten. Dat nu is te veel gevraagd: er is geen eenheid van beleid, zelfs niet over details als de vraag of energiebesparing bereikt moet worden met autoloze zondagen dan wel via distributie. Den Uyl wil de benzine op de bon gooien, zodat de gewone man er op zondag nog met zijn auto op uit kan.

Het macro-economische beleid verloopt niet voorspoediger. `Inflatie, daar gaf Den Uyl niet zo veel om', zegt Duisenberg. Hij stuurt zijn staatssecretaris Van der Stee voor een goed gesprek naar de premier. Bij terugkeer doet Van der Stee behoedzaam verslag, uit angst Duisenberg te grieven: `Ik heb het vage idee dat Joop wetenschappelijk-theoretisch gezien tien, vijftien jaar achterloopt.' En `daar wordt die Wim me toch kwaad, slaat met de vuist op tafel en zegt: ``Ben je helemaal gek! Hij loopt zeker dertig jaar achter'.' Het eind van het verhaal is de befaamde open brief van negen captains of industry, die januari 1976 korte metten maken met het ondernemingsvijandige kabinet.

De andere crises zijn varianten op één thema. Eerst graven de partijen zich in. Vervolgens probeert Den Uyl ijsberend in eindeloze sessies een compromis te bereiken. Waarna niemand meer weet wat er nu eigenlijk gaat gebeuren en of de minderheid onder het juk van een politiek machtswoord door moet. Zo gaat het bij de besluitvorming over de levering van kernreactorvaten aan Zuid-Afrika en over de Oosterscheldedam. Tjerk Westerterp van Verkeer & Waterstaat heeft alle begrip voor die grillige manier van besluitvorming. De andere KVP'ers zijn minder flexibel. Ruud Lubbers (Economische Zaken), eerst enthousiast over de dynamiek in het kabinet, wordt ziek van het gemarchandeer met de Vermogensaanwasdeling (VAD), een stokpaardje van Den Uyl en Boersma. Van Agt begint de vernederingen onverdraaglijk te vinden. In de zaak rond de abortuskliniek Bloemenhove voelt hij zich besodemieterd door Vorrink, die de actiegroep Wij vrouwen eisen nog tijdens de ministerraad telefonisch waarschuwt voor het naderende justitiële optreden. De houding van de PvdA in de twee debatten over de oorlogsmisdadiger Menten doen voor hem de deur dicht. Eerst is er Aad Kosto (PvdA), die wel openlijk afkeuring uitspreekt over het beleid van de minister van Justitie maar die niet wenst vast te leggen in een motie. Vervolgens komt daar een brief overheen van PvdA-fractieleider Van Thijn aan AR-collega Wim Aantjes waarin hij Van Agt bestempelt als een gevaar voor de democratie. `De politiek verdacht maken getuigt van een antidemocratische mentaliteit die zijn hele incidentenbeleid begint te beheersen', aldus Van Thijn.

Het kabinet is kapot. Ruzie over de grondpolitiek verschaft een alibi voor een breuk. Intussen neemt Van Agt (inmiddels lijsttrekker van het nieuwe CDA) ver weg in Groningen afstand van het kabinet: het is een vergissing geweest. Volgens Westerterp een `pure eenmansactie', in de ogen van anderen doet Van Agt (`een schijtlijster', aldus Boersma) wat iedereen zag aankomen.

Lockheed

Had Den Uyl dan helemaal geen bestuurlijke verdiensten? Die had hij wel. In crises zoals de Molukse treinkaping bij De Punt voelt hij, de prater, zich niet op zijn gemak. Maar als het rapport van de Commissie van Drie over de Lockheed-affaire klaar is, toont Den Uyl zich juist wèl een crisismanager. Vrijdagmiddag 20 augustus 1976 krijgen de ministers het rapport onder strikte geheimhouding mee naar huis. 's Avonds beslist het kabinet geen strafrechtelijk onderzoek tegen prins Bernhard te entameren. De prins zal terugtreden als inspecteur-generaal van de krijgsmacht en zijn uniform in de kast laten. Volgens Vredeling omdat `die Juliana achter hem bleef staan, terwijl hij haar met wijven besodemieterde'. Of de vorstin eisen heeft gesteld, blijft vaag. De cruciale passage waarin de Commissie vaststelt geen bewijzen te hebben gevonden dat de prins daadwerkelijk smeergeld heeft geïncasseerd (de cheque op naam van Victor Baarn), biedt het kabinet de opening voor een geruislozere afhandeling. Totdat Van Dam er lucht van krijgt en Den Uyl belt: hij treedt af. Hij is slechts staatssecretaris, maar zijn politieke positie is zwaarder. Den Uyl springt dus in de auto, rijdt Van Dam achterna en weet hem 's nachts tot inkeer te brengen.

Na de val van het kabinet doorstaat de PvdA de verkiezingen van 25 mei 1977 glansrijk: tien zetels winst. Maar het tweede kabinet-Den Uyl komt er niet, ook niet nadat Van Agt `het ventje' (de gedecimeerde PPR) `vriendelijk heeft uitgezwaaid'. Het waarom is altijd omhuld gebleven met mythen. Sommigen geven PvdA'er Piet Reckman de schuld, die op een partijraad een motie indient die Den Uyl niet van tafel durft te vegen. Anderen hechten geloof aan de theorie dat Van Agt er van meet af aan op uit is geweest de onderhandelingen met de PvdA te laten stuklopen om in zee te kunnen gaan met de VVD van Hans Wiegel (het Bistroquet-complot).

Wat er van al deze mythen ook waar mag zijn, een samenzwering is het zeker niet. Het tweede kabinet-Den Uyl is er niet gekomen omdat de PvdA en vooral haar onderhandelaar Van Thijn niet kunnen rekenen. In 1973 was er geen alternatief. KVP, ARP, CHU en VVD beschikten toen over 70 zetels in de Tweede Kamer. In 1977 hebben CDA en VVD, dankzij de groei van de liberalen, een meerderheid van 77 zetels. Van Thijn veronachtzaamt dat, en de gremia van de PvdA beleven er een orgastisch genoegen aan het eigen programma tot dogma te verheffen, de meerderheid in het kabinet op te eisen en ook nog eens het `onaanvaardbaar' over CDA-kandidaten uit te spreken. Het fiasco bereikt een climax in de nacht van 3 op 4 november 1977. Van Agt en Den Uyl zitten zwijgend tegenover elkaar de krant te lezen, terwijl de onderhandelaars tevergeefs de laatste variant uitwerken (Aantjes in het kabinet in ruil voor een andere CDA'er). Van Agt en Wiegel op hun beurt blijken vervolgens wèl te kunnen rekenen: 150 gedeeld door 2 is 75. Kortom, 77 is genoeg. Het programma Bestek 81 is snel rond. Ze gaan een potje kaarten om de indruk te wekken dat het moeilijk is.

Polariseerder

Rest de vraag wat die vier jaar om het lijf hebben gehad. Bootsma en Breedveld beperken zich tot de premier zelf: `De strijdbare calvinist die Den Uyl is gebleven, dacht zijn idealen het beste veilig te kunnen stellen op een strijdbare manier: these en antithese. [...] De eeuwige twijfelaar Den Uyl is paradoxaal genoeg tegelijk ook een polariseerder van formaat'. Hiermee doorkruisen ze het links-rechts-cliché dat tot de dag van Bolkesteins vertrek uit Den Haag is gekoesterd als de waarheid over de jaren zeventig. Ze gaan echter voorbij aan die andere mythe: het maakbaarheidsideaal, waarop het kabinet-Den Uyl ook octrooi zou hebben gehad.

Dat is deze auteurs niet euvel te duiden. Breedveld was indertijd adviseur van Den Uyl. Hun gesprekspartners en bronnen zijn bovendien ook allemaal `on the spot' geweest. Maar wie toch wil ontnuchteren, kan zich wenden tot De planning van ontplooiing van Jan Willem Duyvendak. Nu is hij hoogleraar in Rotterdam en directeur van het Verwey-Jonker Instituut. Toen was Duyvendak middelbaar scholier in Zeist en zocht hij zijn toevlucht bij de PSP, die zich vrolijk maakte over het halfbakken `reformisme' van de PvdA.

Volgens Duyvendak heeft het kabinet-Den Uyl `bepaald geen monopolie' op het maakbaarheidsgeloof gehad. Nederland heeft zich er altijd door laten inspireren: als er polders werden drooggelegd, kon er tegelijkertijd gedroomd worden over deze `nieuwe wereld als het betere ik van het oude land'. Maar juist in de jaren zestig heeft het ideaal, na de crisis en de wederopbouw, zijn beste tijd gehad. Met de ontzuiling is namelijk ook afscheid genomen van het paternalisme, een conditio sine qua non voor elke planning. Zowel de mens als de samenleving moet nu ineens maakbaar zijn. Onder druk van de geboortegolf worden de rollen omgekeerd: het individu wil zich ontplooien, zonder bemoeienis van de overheid. Duyvendak: `Het idee van maakbaarheid ging niet ten onder toen het zich voor het eerst wilde uitstrekken tot de microwereld, maar, precies andersom, toen de individuele mens niet langer door de samenleving gemaakt wilde worden en zichzelf autonoom wilde gaan ontplooien'. De jaren zeventig zijn dan ook niet de bloeiperiode van het maakbaarheidsdenken maar eerder `het begin van een periode van relatieve laagconjuctuur' voor dit gedachtengoed. Deze `democratisering van de maakbaarheid' ontging de calvinist Den Uyl. Het is deze secularisering in spagaat die de liesbreuk heeft geforceerd die zijn opvolgers nog steeds parten speelt.

Peter Bootsma & Willem Breedveld: De verbeelding aan de macht : Het Kabinet-Den Uyl, 1973-1977. Sdu, 337 blz. ƒ39,90

Jan Willem Duyvendak: De planning van ontplooiing. Wetenschap, politiek en de maakbare samenleving. IJkpunt 1950. Sdu, 157 blz. ƒ34,90