Dee Brown: Bury My Heart at Wounded Knee, 1971

In de winter van 1973 werd Amerika voor het eerst in bijna honderd jaar opgeschrikt door een indianenopstand. Activisten van de American Indian Movement bezetten het plaatsje met de treffende naam Wounded Knee, gelegen op de kale vlaktes van Zuid-Dakota waar tijdens een eerdere winter, in 1890, het laatste verzet van de Sioux tegen het Amerikaanse leger was gesmoord in het bloed van ten minste 146 stamleden.

De militante actie, die 71 dagen duurde en twee activisten het leven koste, zette het `indianenprobleem' kortstondig op de nationale agenda. Kort daarvoor was al een boek uitgekomen dat als geen ander het harde lot van de Noord-Amerikaanse indianen ten westen van de Mississippi onder de aandacht had gebracht van een massapubliek: Bury My Heart at Wounded Knee, een narratieve geschiedenis door de amateur-historicus Dee Brown, verscheen in 1971 zonder noemenswaardige publiciteit of marketingcampagne.

Het werd een instant-bestseller. De pendule van de Amerikaanse publieke opinie, die al sinds de negentiende eeuw slingerde tussen racistische afkeer van de `wilden' en humanitair gemotiveerde sympathie, sloeg in de jaren zeventig een eind uit in de richting van deze achtergestelde medeburgers. Het stormachtige succes van Browns empathische boek speelde een grote rol in de Amerikaanse bewustwording omtrent het indiaanse verleden en het onrecht dat hun door de blanke overheid was aangedaan. Van de weeromstuit deed het boek allerlei poëtisch-romantische clichés over de indianen herleven, zoals veel later verbeeld in de New Age-film Dances With Wolves.

Brown, een blanke bibliothecaris die al een aantal titels over het Amerikaanse Westen op zijn naam had gebracht, populariseerde in zijn boek de zwarte kant van de indiaanse geschiedenis. Alle onrecht dat de indianen was aangedaan op de prairies van Kansas, in de woestijnen van Arizona en aan de kust van Californië, reeg hij in een filmische en anekdotische stijl aaneen tot één lange litanie. Van de gedwongen deportatie van de Navajo in 1864 tot het laatste bloedbad onder de Sioux bij Wounded Knee werd de lezer een gruwelkabinet getoond van gebroken beloftes, deportaties, uitgemoorde dorpen en ingeslagen babyschedels, `Het is geen plezierig boek', had Brown in zijn inleiding gewaarschuwd.

Maar in de jaren zeventig, tijdens de nationale zelfkwelling die Amerika in het Vietnam-tijdperk in haar greep had, was die waarschuwing een solide verkoopargument. Browns melodramatische boek was het perfecte literaire complement van de `revisionistische' westerns die tegelijkertijd de heroïsche mythe van the frontier ontmantelden. Films als `Soldier Blue' en `Little Big Man' (beide uit 1970) toonden weerloze indianendorpen die door de Amerikaanse cavalerie werden uitgemoord als evenzoveel My Lai's avant la lettre. De nieuwe romantisering van de native American als slachtoffer van een genadeloos kolonisatieproces – een wederopstanding van de fameuze `nobele wilde' uit de achttiende eeuw – paste naadloos in de afkeer van civilisatie en de hang naar natuurlijkheid die de jaren zestig kenmerkten.

Bury My Heart at Wounded Knee kreeg talloze navolgers en `lanceerde een hele industrie van boeken over de wandaden tegen de indianen', aldus een recensente van een van Browns latere boeken. De bibliothecaris, een geboren Southerner die was begonnen als journalist, bracht 27 titels op zijn naam, waaronder een tweede goed getimede bestseller later in de jaren zeventig: The Gentle Tamers, over vrouwen in het Wilde Westen.

Onder vakhistorici van het Amerikaanse Westen werd het boek met minder enthousiasme begroet. Browns gaven waren vooral die van de retoricus of de verteller, maar hij miste het analytische vermogen van de academicus. Zijn boek was een bekwaam vertelde aanklacht in de vorm van een moraliteit, met alle noodzakelijke versimpelingen die dat populaire genre met zich mee brengt. Nieuwe generaties historici, die de nadruk leggen op diepere economische en culturele factoren die bij de kolonisatie van het Westen in het spel waren, hebben dan ook veel kanttekeningen geplaatst bij het boek. Browns aangrijpende en kleurrijke werk spreekt sterk tot de verbeelding, maar versmalt de ingewikkelde historische context tot een overzichtelijk schema van onderdrukking en slachtofferschap.

Zo had Brown weinig oog voor de complexe dynamiek van de indiaans-blanke betrekkingen, en voor de ingrijpende veranderingen die de indiaanse naties al hadden ondergaan door hun eeuwenlange contact met de blanken. De Sioux, het trotse ruitervolk dat ook bij Brown een soort indiaans ideaaltype werd, hadden die `klassieke' krijgshaftige gedaante pas kort voor hun neergang in de negentiende eeuw aangenomen, dankzij externe invloeden waarvan de Europese introductie van het paard wel de voornaamste was.

Ook Browns schets van het regeringsbeleid inzake `het indianenvraagstuk' was eenvoudig en grof, en een nadere analyse van de factoren die de blanke expansie dreven, bleef achterwege. Ten slotte toonde Brown, die geen indiaanse talen kende, zich weinig bewust van de reusachtige communicatieproblemen die zich tussen Amerikanen en indianen voordeden – zodat van veel `wijze woorden' onduidelijk blijft wie ze nu precies heeft uitgesproken.

In het voorwoord bij de Nederlandse vertaling (Begraaf mijn hart bij de bocht van de rivier, 1972) werd op dat ontbreken van context gewezen door directeur P.H. Pott van het Rijksmuseum voor Volkenkunde: `Het gebeurt maar al te gemakkelijk dat men bij het lezen van zulk een boek emotioneel reageert (..) en de verantwoordelijkheid voor alle wandaden legt bij het gouvernement. Maar men dient deze voorvallen te zien tegen de achtergrond van de omstandigheden van die tijd.' De toonzetting is paternalistisch, maar de constatering is juist. De overgang naar grootschalige landbouw, de ontwrichtende gevolgen van de Burgeroorlog, de goudvondsten in Californië en de aanleg van spoorwegen maakten van de late negentiende eeuw een `rondweg revolutionaire' periode, die ingewikkelder is dan Browns vertelling toestaat.

Activistische indianen, eerder geïnteresseerd in gelijkberechtiging of zelfs een inheemse renaissance dan in blanke gewetenswroeging, vatten het succes van Browns boek op als een ambivalente steunbetuiging. Hier werd de indiaanse geschiedenis toch weer beschreven door een blanke, zij het nu één met medelijden. Ook de romantisering van de indiaanse cultuur die daarmee gepaard gaat, is een vorm van inkapseling waarin de indiaanse realiteit opnieuw ondergeschikt wordt gemaakt aan de conjuncturele eisen van blanke wensdromen. Militante indianen lazen liever Vine Deloria's Custer Died For Your Sins en andere boeken waarin de confrontatie met het rauwe verleden werd gekoppeld aan een eis voor genoegdoening.

De indiaanse argwaan jegens de omarming van hun leed door blanke spijtoptanten is zeker voorstelbaar voor wie ook andere titels van Brown leest. Ondanks de onverhulde sympathie met de indianen in zijn internationale bestseller, mogelijk het bestverkochte boek aller tijden over Native Americans, is het Wilde Westen ook bij deze auteur doorgaans een avontuurlijke, ontzagwekkende en zelfs idyllische plek, een ruig premodern paradijs waar individuele deugden of zonden nog allesbepalend konden zijn. Ook Brown was met andere woorden schatplichtig aan de optimistische traditie van the frontier, zij het dat die nu een schaduwrand had gekregen.

Eén verdienste kan Browns boek zeker niet worden ontzegd. Het gaf de anonieme wilden die, eerst in het echt en daarna op het witte doek, bij bosjes werden neergeknald, een menselijk gezicht. Bury My Heart heeft daarmee niet zozeer een historiografische betekenis alswel een sociaal-pedagogische, of zelfs een `politiek correcte' in de goede zin van het woord: het heeft de ogen geopend voor het leed van onbegrepen anderen. Na Browns werk is het niet meer met goed fatsoen mogelijk indianen als subhumaan af te schilderen, zoals ooit normaal was en zelfs nog gebeurde bij een indianen goedgezinde auteur als Britton Davis, die in zijn memoires The Truth About Geronimo geamuseerd vertelde hoe de beroemde scout Al Sieber na het avondeten achteloos een gevangen Apache door het hoofd schoot. Op zulke `humor' rust tegenwoordig een taboe, en dat is mede te danken aan de beklemmende moraliteit die Dee Brown in 1971 vertelde.

Dee Brown: Bury My Heart at Wounded Knee. Vintage, 487 blz. ƒ37,45 Ned. vertaling (Jos Knipscheer) uitg. In de Knipscheer: Begraaf mijn hart bij de bocht van de rivier, 480 blz. ƒ25,-