De onreine indringers

In 1984 schreef de Libanese auteur Amin Maalouf een boek waarin voor het eerst de kruistochten beschreven werden vanuit het perspectief van de moslims. In zijn Rovers, Christenhonden en Vrouwenschenners werd op niet mis te verstane wijze afgerekend met het in het Westen heersende beeld van deze periode. Sindsdien is onder vrijwel alle historici en theologen het inzicht doorgebroken dat de kruisridders niet louter christelijke helden waren, die vol goede bedoelingen optrokken om het Heilige Land voor het christelijk geloof te heroveren.

Het inzicht brak door dat het voornamelijk ging om ongeorganiseerde wilde bendes die, weliswaar geïnspireerd door het geloof, maar vooral ook onder invloed van economische en politieke motieven, moordend en rovend door de islamitische wereld trokken. Het werd allengs ook duidelijk dat de invloed die de kruistochten hebben gehad op de politieke en economische ontwikkelingen van het Midden-Oosten veel groter was dan men in het westen had aangenomen. Sindsdien is op allerlei fronten onderzoek gedaan naar de manier waarop de bewoners van de Levant de kruistochten hebben ervaren. Wat de invloed is geweest van de komst van de Europese legers en ook hoe de oorlog tegen de kruisridders de ontwikkelingen in het Midden-Oosten drastisch heeft beïnvloed. Ondanks al dat onderzoek ontbrak nog steeds de synthese. In die lacune is nu voorzien. Wie wil weten hoe de moslims de kruistochten hebben beleefd, wat zij vonden van de christelijke indringers, hoe zij hen bestreden, hoe zij met de Frankische krijgsgevangen omgingen, hoe hun verdedigingstrategie in elkaar zat of wie zelfs een antwoord wil op de vraag wat de Egyptische legers tijdens hun veldtochten allemaal meesleepten, die moet het omvangrijke boek The Crusades, Islamic Perspective van Carole Hillenbrand lezen. Aan de hand van vele voorbeelden schetst zij – docent islamitische geschiedenis aan de Universiteit van Edinburgh –, een uiterst levendig beeld van de Levant en haar bewoners ten tijde van de kruistochten. Hillenbrand maakt duidelijk waarom een intern heftig verdeelde islamitische wereld niet in staat bleek de westerse indringers tegen te houden. Zij kiest haar voorbeelden met zorg. Elk nieuw citaat, elk voorwerp dat zij beschrijft en iedere plattegrond voegt iets toe aan het steeds maar uitdijende beeld. Een mooi voorbeeld van haar manier van accumulerend onderzoek vormt het vijfde hoofdstuk, waarin zij laat zien hoe de moslims over de Franken dachten. Zij citeert daar de Perzische dichter Ibn Abi'l-Ash'ath, die in de tiende eeuw een boek schreef over het rijk der dieren. In dit werk, waarvan een handschrift zich in de Bodleian bibliotheek in Oxford bevindt, beweert Ash'ath dat de bewoners van het noorden, de Frankische Christenen: `net als dieren jaarlijks in de rui gaan. Verder hebben zij ook geen individualiteit en met hun hygiëne is het droevig gesteld. Wat dat betreft vertonen de mensen in het noorden grote gelijkenis met varkens.'

Schaamhaar

Deze tekst maakt meteen duidelijk dat de latere klachten van islamitische auteurs over het gebrek aan de lichamelijke en seksuele hygiëne onder de Frankische legers niet zomaar uit de lucht kwamen vallen. Het behoorde tot de algemene en aanvaarde kennis in de Levant dat de bewoners van het noorden vieze en seksueel losbandige lieden waren.

Hillenbrand gaat vervolgens een stap verder. Gebrek aan lichamelijke en vooral seksuele hygiëne vormde, zo stelt zij, gedurende de gehele periode van de kruistochten het leidmotief in de moslimse geschriften over de Franken. Ter ondersteuning van deze stelling trakteert zij de lezers op het uit de dertiende eeuw stammende verhaal van de Frankische edelman en het badhuis. Deze door de Syrische edelman Oesama Ibn Mundiq opgetekende geschiedenis speelt zich af in een badhuis in een door de Franken bezette stad. Een Frankische ridder ontdekt tijdens zijn eerste bezoek aan dit etablissement dat de moslimse mannen hun schaamhaar scheren. Hij verzoekt de beheerder van het badhuis vervolgens om ook bij hem het haar uit zijn schaamstreek te verwijderen. Tevreden over het resultaat laat hij vervolgens zijn eigen vrouw ophalen en ook bij haar wordt vervolgens het haar van het onderlichaam verwijderd. Dit verhaal is volgens Hillenbrand door Usama zorgvuldig gecomponeerd om de Frankische ridder in een slecht daglicht te stellen. Zijn gedrag is vanaf het eerste ogenblik, waarop hij zonder de in de moslimse cultuur gebruikelijke lendedoek de badruimte betreedt, in alle opzichten lomp en onfatsoenlijk en zijn houding ten opzichte van zijn eigen vrouw is in de ogen van de moslims zelfs ronduit schandelijk. De gemiddelde moslimse lezer heeft dan ook beslist gehuiverd bij het lezen van zulk gedrag.

Dat Hillenbrand nogal uitweidt over de gebrekkige hygiëne en het ontbreken van seksuele taboes bij de Franken is noodzakelijk voor de lezers om de volgende stap in haar betoog te kunnen volgen. Reinheid, zowel geestelijk als lichamelijk, vormt, zo luidt haar stelling, de basis van de islam. De islam is vol van allerlei ge- en verboden die betrekking hebben op reinheid. De rituele wassing voor het gebed is er daar een van evenals de strikte voorschriften die de rituele pelgrimstocht naar Mekka omringen. Dergelijke voorschriften zijn geen uitwendige oefeningen in reinheid, zij vormen een integraal onderdeel van het geloof. Het is volgens Hillenbrand dan ook niet zomaar dat een van de belangrijkste van de Hadiths (traditioneel de woorden die via overlevering aan de profeet worden toegeschreven) luidt: `Reiniging is de helft van het geloof'.

Reinheid van lichaam gaat in de islam vooraf aan de reinheid van geest. De islam spreekt via de Koran en de tradities ook van allerlei zaken die najasat (van zichzelf onrein) zijn. Dat zijn bijvoorbeeld wijn, varkens en uitwerpselen. Het nuttigen of aanraken van dergelijke voorwerpen is haram (verboden). Het zal dan ook niemand verbazen dat juist deze onreinheden aan de basis staan van veel antichristelijke uitingen. Het zondigen tegen dergelijke regels, het doorbreken van taboes, brengt niet alleen schade toe aan de overtreder maar roept onverbiddelijk de toorn van God op. Niet zozeer hun `christenzijn' maar het feit dat ze zondigden tegen de regels en taboes van het geloof maakte de Franken tot de vijanden van de islam bij uitstek. Dat gold veel minder voor de van oudsher in deze regio aanwezige andere christelijke groepen zoals de byzantijnen, Syrische orthodoxen, jacobieten, Armenen, kopten en nestorianen. Zij hanteerden in veel opzichten dezelfde leefwijze als de hen omringende moslims. Bovendien beperkte hun religieuze activiteiten zich strikt tot de aan hen toegeschreven gebieden. En dat deden de Franken natuurlijk ook niet. De ernstigste overtredingen maakten zij namelijk door de verontreiniging van de heilige plaatsen. Hillenbrand zegt daarvan: `het innemen van gewijde plekken die nog in gebruik zijn, het veranderen van die gebouwen en plaatsen door het duidelijk aanbrengen van de symbolen van het eigen geloof vormde nog wel de grootste vernedering die een bezetter aan de overwonnen vijand kon toebrengen'.

Naftabom

Het boek van Carole Hillenbrand geeft ook op allerlei niet religieuze gebieden een enorme hoeveelheid informatie. Bijvoorbeeld over de manier van oorlogvoeren. Op pagina 528 staat zelfs het beste recept voor de bereiding van een naftabom en de manier waarop die naar de vijand geslingerd kan worden. Tegen dit monumentale, zeer leesbare boek is maar één puntje van kritiek in te brengen en dat betreft de foto's van moskeeën en burchten. Vrijwel alle zijn ze afkomstig uit één archief dat, zo lijkt het, sinds 1950 niet meer is aangevuld. Wie bijvoorbeeld nu de kruisvaardersburchten in Syrië bezoekt zal daar met moeite de beelden uit dit boek in kunnen terugvinden.

Carole Hillenbrand: The Crusades. Islamic Perspective. Edinburgh University Press, 648 blz. ƒ115,- (pbk)