De grote loterijtrommel van de taal

Hoe schrijft een dichter eigenlijk een gedicht? In zijn tweede Verwey-lezing legt Gerrit Komrij uit hoe dat in zijn werk gaat.

Het komt niet dikwijls voor dat dichters vertellen wat er bij het maken van een gedicht precies gebeurt. Ze praten er een beetje omheen of ze stellen het geheimzinniger voor dan het is. Dan mogen ze graag suggereren dat het om een soort keukengeheim gaat. Of ze leggen het zó uit dat het een passende bewijsvoering vormt van hun opvatting over poëzie. Religieuze dichters zullen niet nalaten er een hogere instantie bij te halen. Concrete dichters zullen de rol van de dobbelsteen benadrukken. De Muze, de inspiratie, geen dames zijn zo misbruikt.

Als een dichter een gedicht schrijft gebeurt dat waar hij bij is, het ontstaat in hem en door hem, dus hij moet er iets over kunnen zeggen. Het moet te omschrijven zijn wat hij meemaakt of voelt, wat hij doet of nalaat – hoe ongrijpbaar het proces af en toe ook mag schijnen. Ik ga het u vertellen. Bedenk dat u getuige bent van een nagenoeg uniek evenement.

Iedere dichter kent dat gevoel – het gevoel dat de mogelijkheid van een gedicht altijd op de loer ligt. Hij is niet alleen dichter als hij aan het dichten is, hij is latent dichter, vierentwintig uur per etmaal. Over dat eigenaardige besef beschikt hij nu eenmaal, ook als zijn hoofd naar niets poëtisch staat. Zonder de voortdurende bereidheid om te dichten zal er nooit een gedicht tot stand komen.

Nog voor we het kunnen hebben over de impuls die tot een reëel gedicht leidt of over een creatieve opwelling is daar die eigenaardige, maar onontbeerlijke continu-staat.

Wat is dat voor een staat?

De dichter kan zich de aanwezigheid van die staat nog het best realiseren door zijn ogen te sluiten en zich voor te stellen – het gaat moeiteloos – dat hij zich in een oneindige moddervlakte bevindt. Voor hem en achter hem en rondom hem, alleen maar modder met af en toe een uitstulping in de vorm van een halfrond zandkoekje of een luchtbel. Bloeb-bloeb. Heel lichtjes bibberen de halve rondjes. Bloeb. Nagenoeg onmerkbaar blubbert een luchtbel. Bloeb. Hun activiteit is nauwelijks zichtbaar voor het blote oog, maar er is activiteit.

U begrijpt, het gaat uiteindelijk om verhoogde activiteit. Het gaat om het punt waarop de activiteit zó hoog is geworden dat er werk aan de winkel is. Dat de dichter zich uit zijn luie stoel moet hijsen. Het moment van ontploffende luchtbellen, modderfonteinen, hete spatten tegen je gezicht. Het moment waarop de werkvloer schokt en tiert en raast.

Wat er nodig is om haar activiteit te triggeren is niet meer dan een beeld, een paar woorden of een gedachte. Er kunnen heel goed beelden of losse regels opduiken die schijnbaar geen enkele achterliggende gedachte kennen. Beelden die zich zomaar uit het niets opdringen, halve regels die er louter en alleen om de klank of de cadans lijken te zijn.

Een dergelijk beeld laat zich, als een lastig insect, niet meer wegslaan. Het zijn de zinnetjes die blijven rondspoken in je hoofd. Ze kunnen neuriën, ze kunnen zeuren, maar ze zijn niet van plan op te stappen. Je bent niet met de betekenis bezig, het is het melodietje dat jou bij je nekvel heeft.

Een pal schiet los, daar heb je een virtueel beeld. Een speeltuin uit je kinderjaren. Een paar donkere ogen. Het ochtendlicht op een pannendak.

Of een virtuele zin. Je leest bij voorbeeld iets over het jaar tweeduizend en nog voor je bewust hebt beredeneerd dat het een tamelijk willekeurige grensoverschrijding is noteer je de opdracht: `Trek een fictieve streep.' De nucleus van een gedicht dat er staat aan te komen.

Een pal schiet los, daar kookt de krater. De grond onder je voeten gunt je geen rust.

Dat geborrel onder je innerlijke bodem is wat ik maar de grote verbeelding noem. Die is er altijd. Die moet er altijd zijn. Je stelt je die zo ongeveer voor als een vulkanische bodem onder een hoge koepel – een luchtledige ruimte. Binnen die grote verbeelding sluimert de creativiteit die we doorgaans voor de eigenlijke verbeelding aanzien.

Van de aanwezigheid van de grote verbeelding is een dichter zich vaak nauwelijks bewust. Dat komt omdat die verbeelding pas voelbaar begint op te spelen als de kleine verbeelding met iets onvermijdelijks komt aanzetten. Op dat moment beginnen ze aan een samenspanning, het vuur en de vindingrijkheid. De vruchtbaarheid en de fantasie. Ze zijn er gezamenlijk op uit om een gedicht uit je te krijgen. Je bent machteloos tegen hun optreden.

Je hele acrobatiek bestaat er nu in om het creatieve proces af te remmen, maar ook weer niet zó drastisch dat het doodloopt. Je hebt combinaties van woorden nodig, maar niet alle. Je associatievermogen moet actief blijven, maar niet alle kanten op.

Trek een fictieve streep. Dat is je doel.

Zo, die zit. Die klinkt als eerste regel niet gek. Je voelde dat je van die fictieve streep een meer welomschreven eindmarkering moest maken.

Trek een fictieve streep. Dat is je doel.

– al noem je het woord doel meteen in de eerste regel, om er beweging in te krijgen, het betekent niet dat je er ook al bent. Dichten is uitstellen. Doe maar of je alle tijd hebt, dan blijf jij het gedicht de baas, dan brengt de impuls jou niet om.

– Bepaal op je gevoel

Een finish en vertrek op je gemak.

Het oud verhaal van Zeno en de slak

Gaat altijd op –

– jawel, peper het je zelf maar eens in. Alweer drie regels, regels die zich uit klank- en zinverwantschap aan de eerste hebben vastgekoekt.

Welke kant wil je eigenlijk op? Alle mogelijkheden staan nog open en dat willen die mogelijkheden je laten weten ook. Je probeert, uit vrees op hol te slaan, je hersens stop te zetten. Door, zeg maar, alles in het werk te stellen om een ander het karwei te laten opknappen. Door bij voorbeeld een automatisch hulpmiddel als een rijmwoordenboek in te roepen. Ik ben een enthousiast en ijverig gebruiker van rijmwoordenboeken. Niet alleen omdat het me overbodig lijkt om te zoeken naar wat een ander al voor je heeft gevonden, maar ook omdat alleen de aanblik al van zo'n rijtje rijmwoorden kan inspireren. Bovendien gaat het bij een rijmwoordenboek meestal zo, dat het woord dat je vindt precies het woord is dat je zocht.

Onvermijdelijk volgt het moment dat je niet langer naar inactiviteit verlangt, maar juist bij elke afleiding naar het gedicht wilt terugkeren. Dit alles gebeurt pas als het skelet van het gedicht zichtbaar is geworden – en, wat meer is, als het gebeurt weet je voor honderd procent zeker dat het gedicht tot een goed einde gebracht zal worden.

Op dat moment ook gaat wat je verder in huis hebt pas een rol spelen. Je karakter, je temperament, je ervaring en de reikwijdte van je vocabulaire. Je neus voor symbolen en gemeenplaatsen, je oor voor klankverfijningen en stroefheden.

Hoe graag wou ik dan ook zeggen dat, op dit punt gekomen, een gulle hand met genade begon te strooien. Niets van dat alles.

Je denkt: ik heb de route in mijn zak.

De eindstreep haal ik op de juiste tijd,

De hele reis gaat van een leien dak.

Maar dan bega je toch een grote stommiteit.

Voor je er erg in hebt is de vierregelige mal van de tweede strofe met je overwegingen volgestroomd. De twee terzinen van het sonnet moeten nog beginnen. Hoe meer er zwart op wit staat, hoe geringer de mogelijkheden worden. Je hebt je zelf steeds dwingender klemgezet en hoopt op de juiste ontsnappingsroute. Dat alles zo dadelijk niet zal kloppen en dat je ten slotte met de losse eindjes zult blijven zitten, het lijkt of je dat vooruitzicht roekeloos hebt verdrongen. Er zal je straks, op het allerlaatst, misschien maar één rijmwoord meer ter beschikking staan, maar het zal uitgerekend dat woord zijn dat je op die plek nodig had. Je zou het ergste behoren te vrezen en toch maak je je niet ongerust.

De twee terzinen komen er.

Het gedicht is klaar.

Het embryo is er en de rest is een kwestie van korset, steunzolen en krukken. De rest doet alleen een beroep op de vakman in de dichter.

Een goeie dichter hoeft niet meteen een goeie vakman te zijn. Ik ben eerlijk gezegd geneigd de man die ze allebei is – goed dichter, perfect vakman – een beetje te wantrouwen.

Het woord bepaal in `Bepaal op je gevoel / Een finish en vertrek op je gemak' bevalt je niet. Om onbestemde en in dit stadium dus dwingende redenen. Een finish bepalen, iets op je gevoel bepalen, het is allemaal te bepaald. Zo'n paal vloekt met een fictieve streep. Streep dus. `Streep op je gevoel / Een finish aan,' dat geeft het al beter weer.

Het is knutselen op je gemak, uit de vrije hand. Maar als je besluit het te laten staan, en dat besluit je natuurlijk, dan kan `Trek een fictieve streep' niet meer. Dat begrijpt een kind. `Trek een fictieve lijn' staat er dezelfde seconde al. Het had meteen aan het begin al lijn moeten zijn. Je was weer eens een trage sukkel. Lijntrekken. Linie.

De versvoeten moeten worden geteld. Alles bestaat uit vijf voeten hier, dus bij elke regel gaan voor een routine-check duim, wijsvinger, middenvinger, ringvinger en pink omhoog. De ringvinger stokt bij de vierde regel –

Maar dan bega je toch een grote stommiteit.

Eén voet teveel dus. Ik ben lang niet zo'n vormvast dichter als ik wel eens hoor beweren. Ik ben in die problematiek van ritme en metrum niet zo goed thuis, en ik wil er ook niet zo goed in thuis zijn omdat ik er weinig van snap. Een wiskundeboek is begrijpelijker voor me. Ik maak me bij het dichten gewoon een beetje kwaad als ik tot een kwaad ritme wil komen, en als ik een loom ritme nodig heb probeer ik me een beetje loom op te stellen. Dat werkt perfect. Poëzie is geen boekhoudkunde.

De eindstreep haal ik op de juiste tijd

– jawel, vanwege die eindstreep al had de beginstreep weg gemoeten. Nu het woord `bepaal' weg is, wat is de noodzaak nog van `het oud verhaal'?

Eerst nu valt mijn oog op de regel `Het oud verhaal van Zeno en de slak', dat erdoor een muzikaal voetjevrijen met `bepaal' en `gemak' is gekomen. Ik schrik. Het is helemaal niet het verhaal van Zeno en de slak! Het is het verhaal van Zeno en de schildpad!

Trek een fictieve lijn. Daar ligt je doel.

Het oud verhaal van Zeno en de schildpad –

– mislukt, het hele gedicht mislukt. De schildpad zit in de weg. De schildpad heeft me vermoord.

Misschien dat aan `op je gemak' nog iets te doen valt, maar ik heb het woord `slak', zonder op iets bedacht te zijn, in de tweede strofe ook nog op `zak' en `van een leien dak' laten rijmen.

Gelukkig heeft de dichter, behalve zijn talent, zijn foefjes. Gedichten zijn voorbestemd om op hun pootjes terecht te komen, of ze zijn het niet.

Ik gebruik het woord voorbestemming niet graag. Toch heeft die hyperactiviteit bij het verlenen van een definitieve vorm aan het gedicht wel met een zekere bezieling te maken. De oorspronkelijke aandrift, de grotere verbeelding, heeft je immers doorstroomd met het soort bezieling dat maakte dat ook jij nadien alles bezield maakt. Jij en het heelal en de grote loterijtrommel met alle woorden uit je taal erin zijn één elektrisch fluïdum geworden.

Alleen een dichter weet op zulke bezielde momenten van wanten.

Ik verwissel nog snel twee regels van plaats, maar verander er tegelijkertijd een kleinigheid in zodat ze niet opnieuw verwisselbaar lijken. Ik ben dol op rommelen met de interpunctie, dus ook dat laat ik me niet ontgaan. In een enkel geval doe ik langer over de interpunctie dan over het hele gedicht.

Een dichter kent het moment waarop hij weet dat het gedicht klaar is, het moment dat hij er verder niets meer aan wil, kan en mag veranderen. Hoe hij dat weet? Het gedicht weet het.

Het kreeg als titel `Hogedruk' mee. Ik was, zoals zo vaak, weer heel ergens anders uitgekomen dan zich aanvankelijk had laten aanzien. Het jaar tweeduizend kwam niet eens in het gedicht voor. Het ging helemaal niet meer over het jaar tweeduizend. Het ging over poëzie. Over het maken van poëzie.

Hogedruk

Trek een fictieve lijn. Daar ligt je doel.

Toch blijft de wet van Zeno en de slak

(Of schildpad?) gelden. Streep op je gevoel

Een finish aan, vertrek op je gemak,

Denkend: ik heb de route in mijn zak

– De eindstreep haal ik op de juiste tijd,

Mijn hele reis gaat van een leien dak –

Maar dan bega je toch een stommiteit.

Hoe dichter in de buurt van de limiet,

Hoe moeilijker het doel lijkt te bereiken.

Zelfs als het bijna voor het grijpen ligt,

Tot op de millimeter – het blijft wijken.

De afstand perst zich samen. Dat gebied

Van tegenstrevend niets heet een gedicht.

Mocht het zo zijn dat niets, maar dan ook helemaal niets uit het voorgaande proces bij u op enige vorm van herkenning stuit, dan moet ik u ernstig afraden ooit nog een gedicht te willen schrijven.

Dit is de sterk bekorte tekst van de tweede Verwey-lezing die Gerrit Komrij op 27 oktober heeft uitgesproken aan de Rijksuniversiteit Leiden.