Bovenmenselijke desinteresse

Op 7 februari 1993 bracht Ronald Reagan tijdens een receptie ter ere van zijn 82-ste verjaardag twee keer achter elkaar in exact dezelfde bewoordingen een toast uit op een van de aanwezigen, oud-premier Margaret Thatcher van Groot-Brittannië. De gasten waren verbijsterd, schrijft Edmund Morris in de epiloog van zijn bizarre boek over de veertigste president van Amerika. Er zat niets anders op dan Thatcher `twee keer een staande ovatie te geven, en de blik niet te lang te laten rusten op Nancy Reagans bedroefde gezicht, terwijl Dutch onwetend lachte.'

Het was volgens Morris de eerste keer dat Reagan in het openbaar blijk gaf `niet meer bij zijn volle verstand te zijn'. Een kleine twee jaar later, op 5 november 1994, maakte hij in een brief wereldkundig te lijden aan de ziekte van Alzheimer. `Ik begin nu', schreef hij toen, `aan de reis die naar de zonsondergang van mijn leven voert.' Morris las de brief een dag later in de krant en merkte op: `Voor het eerst in mijn leven voelde ik liefde voor Ronald Reagan, evenals overweldigend verdriet.'

Wat is de president vergeten en sinds wanneer kon hij het zich niet meer herinneren? Deze vraag, populair tijdens de Iran-contra-affaire, kreeg in november 1994 een nieuwe urgentie. Er werd teruggerekend, door critici die het `altijd al hadden vermoed', en met tegenzin door oud-medewerkers en bewonderaars, die Reagans fameuze onverschilligheid tot nu toe een positieve draai hadden gegeven. De hands-off managementstijl, het lakonieke delegeren dat in zo'n schril contrast stond met het presidentschap van dossiervreter Jimmy Carter, was misschien minder een kwestie van beleid dan zij zichzelf en de buitenwereld tot nu toe hadden voorgehouden.

Het is de grootste verdienste van Edmund Morris dat hij definitief afrekent met deze sindsdien aanhoudende geruchten. Reagan was volgens hem tijdens zijn achtjarig presidentschap niet seniel. Dat wil zeggen: hij gedroeg zich als president niet anders dan daarvoor als scholier, student, badmeester, sportverslaggever bij de radio, filmster, entertainer, woordvoerder van General Electric en politicus. Inhoudelijk schortte er misschien van alles aan, maar zodra er een microfoon of camera op hem stond gericht was hij op en top professioneel. Hij vergiste of versprak zich bij openbare gelegenheden vrijwel nooit, althans niet als hij niet hoefde te improviseren.

Gekeuvel

Morris aanvaardde in 1985 de opdracht voor de officiële biografie van Ronald Reagan. Hij was daartoe aangezocht door Nancy Reagan en Michael Deaver, voormalig media-adviseur van de president; beiden waren onder de indruk van zijn veelvuldig in de prijzen gevallen eerdere boek over de jeugd van oud-president Theodore Roosevelt. Morris bedong dat hij Reagan eens per maand een half uur mocht interviewen. Een unieke afspraak: nooit eerder had een biograaf zo vaak en zo lang toegang gehad tot een zittend president. Maar de euforie die dat aanvankelijk veroorzaakte sloeg om in twijfel toen bleek dat de geïnterviewde er maand na maand in slaagde volstrekt niets van enige waarde te zeggen. Telkens wist Reagan het onderwerp te herleiden tot gekeuvel over Hollywood, films en de rollen die hij als voormalig acteur had gespeeld.

Hoe meer tijd hij met Reagan doorbracht, des te wanhopiger hij werd. Zijn vragen liepen stuk op een uit gewapend beton bestaande combinatie van bovenmenselijke desinteresse, dolmakende saaiheid, en een tot in de perfectie beheerste lichtvoetige hoffelijkheid. Het was na een van deze bijeenkomsten dat Morris, inmiddels zelf de waanzin nabij, het onderwerp van zijn studie een `leeghoofd' noemde. En het is deze beschuldiging die wereldwijd opzien heeft gebaard.

Dat laatste is vreemd, in de zin dat Morris er geen nieuwe bewijzen voor aandraagt. Beginnend met de herinneringen van voormalig budgetdirecteur David Stockman (The Triumph of Politics, 1986) heeft medewerker na medewerker op vaak schilderachtige wijze verslag gedaan van het grensoverschrijdend gebrek aan nieuwsgierigheid jegens personen en staatszaken dat Reagan aan de dag legde. De details van begrotingsvoorstellen, de finesses van ont- en bewapening, de onderhandelingen met Teheran; het was hem allemaal worst zolang het meeste overheidsgeld maar ging naar defensie en niet naar sociale zaken, zolang de communisten maar in de gaten hadden dat er met Amerika niet te spotten viel, en als de gijzelaars in Libanon maar op vrije voeten kwamen. Met de uitwerking van het beleid hield hij zich niet bezig.

Na jaren van gedool op het doodlopend spoor van interviews en een traditionele biografie heeft Morris het raadsel Reagan langs fictieve weg opgelost. Door zichzelf, een zoon en vrienden als fictieve personages op te voeren heeft hij vat op zijn onderwerp gekregen. Dat heeft in Amerika tot veel verontwaardigd commentaar geleid, ironisch genoeg met name uit twee kampen die elkaar in ander opzicht naar het leven staan: de coterie rond Reagan en intellectuelen.

De woede van bewonderaars van de president is op het eerste gezicht vreemd. Morris is oprecht in zijn bewondering voor Reagan als politicus. Hij won de Koude Oorlog, was verantwoordelijk voor de morele herbewapening van Amerika en de economische opleving. Hij liet zich niet door opiniepeilingen leiden maar door zijn overtuigingen. Zeer scherp is ook zijn analyse van Reagans populariteit. Oppervlakkig gezien was hij een conservatieve Republikein. Maar in zijn uitlatingen was hij altijd strikt onpartijdig.

Badmeester

Vanaf het moment dat hij in de jaren vijftig woordvoerder werd van General Electric wist Reagan de man-in-het-grijze pak, Republikein of Democraat, in te palmen met zijn lofzang op `het beste land ter wereld'. De echte vijand woonde in Moskou, werkte in Washington, kraamde Marx na op campussen van elite-universiteiten en had zich, helaas, verschanst in de burelen van de Democratische Partij. Niet hij was in de jaren vijftig uit de Democratische Partij gestapt, maar de Democratische Partij had hem toen verlaten, hield hij zijn gehoor altijd voor.

Tegenover de bewonderde president staat voor Morris echter de verachtelijke man. Het beeld dat hij schetst van Reagan als vader, echtgenoot, collega en mens is dermate beledigend dat hij woedende reacties leek te vragen. `Dutch' was volgens hem van jongs af aan extreem zelfingenomen, afwezig en passief. In verhalen die hij schreef als student was hij onveranderlijk de door vrouwen aanbeden badmeester of footballster die zich hun bewonderende blikken op zijn afgetrainde lichaam laat welgevallen, zonder dat hij ook maar een seconde ingaat op hun geflirt. Later, als filmster en politicus, is hij een grootmeester in de tot niets verplichtende vriendelijkheid die fundamentele desinteresse in zijn medemens zou camoufleren. Door zijn eerste vrouw, de actrice Jane Wyman, werd hij beschuldigd van geestelijke mishandeling en onverschilligheid in bed. Door zijn tweede vrouw, Nancy Davis, liet hij zich geduldig op sleeptouw nemen. Voor haar was `Ronnie' liefde op het eerste gezicht; voor hem was het vooral een geruststelling dat hij weer iemand had gevonden die zich zijn echtgenote noemde en hem door het leven sleepte. Met Nancy cultiveerde hij een stijl van smakeloosheid, edelkitsch en pronkzucht.

Uiterst pijnlijk is dat hij zijn kinderen – twee met Jane, waarvan een geadopteerd, twee met Nancy – dikwijls niet herkende; pijnlijk is ook dat twee kinderen sinds de verschijning van Dutch de kritiek op het boek in het openbaar hebben gepareerd. De Reagan die Morris schetst, zeiden zij, komt op hen authentieker over dan die in voorgaande biografieën. Patti Reagan, dochter uit zijn tweede huwelijk, schreef in de Washington Post het als een verademing te hebben ervaren dat haar vader niet alleen haar uit zijn geestelijk leven had verbannen, maar het hele universum.

Monologen

De verontwaardiging bij Amerikaanse intellectuelen betreft niet zozeer de toon als wel de stijl die Morris hanteert. Door een experimenteel boek te schrijven, zeggen zij, heeft Morris een unieke kans op het schrijven van een gedegen biografie verkwanseld. Hoewel de uitgever in het begin van Dutch verzekert dat alle uitlatingen, gedachten en daden van Reagan en andere historische personen authentiek zijn, valt dit in praktijk vaak moeilijk te achterhalen. De `ik' in de hierboven aangehaalde alinea is een fictieve vriend van de eveneens fictieve Morris. Tijdens de oorlog bevindt hij zich als scriptwriter `toevallig' op dezelfde plaats in Californië als Reagan. De fictieve Morris werkt dan in Groot-Brittannië. Hij wordt in brieven op de hoogte gehouden van Reagans wederwaardigheden.

Dat roept de volgende vragen op: had Reagan daadwerkelijk Reader's Digest `ontdekt', zoals Morris schrijft, of is dit een bewering van de fictieve vriend? En komen de conclusies die daaraan worden verbonden over Reagans karakter voor rekening van die vriend, of neemt de schrijver Edmund Morris het hier even over? De voetnoot die bij de betreffende passage hoort, maakt de verwarring alleen maar groter. Daarin wordt verwezen naar een bestaande vriend van Reagan, die in een artikel of ingezonden brief in de Los Angeles Times van 1980 klaagt over diens langdurige monologen. Monologen wanneer? In de oorlog? Monologen waarover? Artikelen uit de Digest? Je mag hopen van wel, maar het blijft onduidelijk.

Met wat kwade wil zou je kunnen zeggen dat Morris zich heeft aangepast aan de belevingswereld van Reagan zelf. Die kon immers zelf dikwijls geen onderscheid maken tussen feit en fictie. Zo maakte hij zichzelf en anderen wijs dat hij persoonlijk aanwezig was bij de bevrijding van de concentratiekampen Ohrdruf en Buchenwald door de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog.

In werkelijkheid zag hij alleen de films van deze gebeurtenissen in Hollywood. Ook hierover schrijft Morris een curieuze voetnoot: `In de zin dat wat hij zag zich `als werkelijk' zo vastzette in zijn geest (waar RR, een man met grote verbeeldingskracht, in feite leefde), was hij ook `werkelijk' aanwezig toen het prikkeldraad in Ohrdruf werd neergehaald'. In die geest zou je kunnen zeggen: wat maakt het uit dat Morris zich op een fictieve manier uitlaat over een in zijn eigen fantasieën gelovende en levende president? Het resultaat mag er volgens diens kinderen toch zijn? De fictieve Reagan is wellicht authentieker dan de volgens de normen van de traditionele biografie geschreven portretten door Morris' voorgangers.

Edmund Morris: Dutch. A Memoir of Ronald Reagan. Random House, 874 blz. ƒ69,95