Amerika blijft de `ideale' economie

Hoge groei, lage inflatie: de Amerikaanse economie zette haar zegetocht voort in het derde kwartaal, zo bleek gisteren. Een nieuw bewijs voor de Nieuwe Economie? ,,Dit kan nog wel tien jaar duren.''

Goudlokje wordt volwassen. De sprookjesfiguur waarmee Amerikaanse beleggers de `ideale' economie drie jaar geleden aanduidden was een metafoor voor een economie die niet te warm was, niet te koud, maar precies goed. Net zoals de pap van de drie beren zij aantrof.

Toen de ontwikkeling van de Amerikaanse economie met voorspoedige groei en lage inflatie vervolgens bleef voortduren werd de aanduiding voor de nieuwe situatie breder: economen begonnen te spreken van een `nieuw paradigma': een nieuwe set van aannames over de economie die er op zou duiden dat een hogere structurele economische groei voortaan mogelijk zou zijn. En sinds het `nieuwe paradigma' het heeft geschopt tot het nog bredere politiek-economische discours – ook in Nederland – is de term navenant verruimd en wordt er van alles bijgehaald. De Nieuwe Economie heeft zijn intrede gedaan in het spraakgebruik.

Toch blijft de kern van de vraag de metafoor van Goudlokje: is de economie in staat voortdurend te groeien zonder dat de, op inflatie gebaseerde, cyclus er noodgedwongen een eind aan maakt? Sinds 1992 ontvouwt de economische groei in de VS zich als een feuilleton, waarvan de lezers niet weten wanneer het is afgelopen. Voorlopig niet: gisteren publiceerde het Amerikaanse ministerie van Handel aflevering drie, jaargang zeven. Volgens de Amerikaanse manier van tellen groeide het bruto binnenlands product in het derde kwartaal van het zevende expansiejaar met maar liefst 4,8 procent. Van inflatie is weinig te bekennen. De prijsindex van het bbp, de zogenoemde bbp-deflator, nam toe met volgens de Amerikaanse methode 0,9 procent, en ten opzichte van vorig jaar met 1,3 procent.

Nu geeft de Amerikaanse manier van berekenen doorgaans een hijgerig beeld van de economische groei. De groei van kwartaal op kwartaal wordt `geannualiseerd': er wordt gedaan alsof deze groei zich gedurende vier kwartalen achtereen zou hebben voorgedaan. Als, op de meer Europese manier, de groei ten opzichte van hetzelfde kwartaal vorig jaar wordt berekend, ontstaat een rustiger beeld, dat overigens niet minder gunstig is. Zo bezien groeide de economie met 4,1 procent in het derde kwartaal, en dat is, voor het zevende jaar van de expansie in de VS, uitzonderlijk sterk. Mocht de groei doorgaan tot in het eerste kwartaal van 2000, dan wordt de huidige periode de langste expansie die ooit in de VS is geregistreerd.

Van de lonen is voorlopig weinig te vrezen. De brede definitie van de loonkosten die het bedrijfsleven per werknemer kwijt is, de Employment Cost Index, werd gisteren ook gepubliceerd. De loonkosten stegen met 3 procent, minder snel dan vorig jaar rond deze tijd, toen de loonkostengroei op weg leek naar 4 procent.

Tegelijkertijd met de cijfers publiceerden de VS gisteren een nieuwe methode om het bbp te berekenen. Omdat, mede door het boeken van software als investeringen in plaats van uitgaven, de telling van het Amerikaanse bbp structureel 5 procent hoger is uitgekomen, is ook de productiviteit in de statistieken gestegen. Hetzelfde aantal werknemers produceerde kennelijk meer dan eerder aangenomen. Omdat productiviteit de verdeelsleutel is tussen economische groei en inflatie, voegde deze nieuwe berekeningsmethode nog meer euforie toe aan de opgetogen stemming over de Amerikaanse economie: kennelijk is de structurele economische groei die mogelijk is zonder de inflatie op te jagen, ook hoger dan werd verondersteld.

Op de beurzen werd gisteren en vanmorgen het jongste bewijs van de Nieuwe Economie in de VS onthaald met wereldwijde forse koersstijgingen van zowel aandelen als obligaties. Volgens analist P. van Doesburg van de zakenbank Kempen & Co, is dat bewijs sterk, maar wel betrekkelijk. Hij ziet wat er nu in de economie gebeurt als een combinatie van oude en nieuwe trends. ,,Voor een deel vindt er nu een inhaalslag plaats van de jaren zeventig en tachtig, toen de inflatie uit de hand liep en de bedrijfswinsten onder druk stonden. Je zou je af kunnen vragen of we wat dat betreft niet gewoon terugkeren naar de óude econonomie' van daarvóór.''

Maar tegelijkertijd signaleert Van Doesburg ook nieuwe kenmerken. De grotere concurrentie, openheid en communicatiemogelijkheden zorgen ervoor dat de macht om de prijzen te bepalen niet meer bij de producenten ligt, maar bij de consumenten. Dit gebrek aan pricing power leidt tot een neerwaartse druk op de prijzen en dus tot een getemde inflatie. Ook dit effect is volgens Van Doesburg in principe tijdelijk: op een gegeven moment hebben de prijsniveaus van bijvoorbeeld telefoontikken zich neerwaarts aangepast aan de nieuwe omstandigheden. Maar voor dat gebeurt gaat er nog wel wat tijd overheen. ,,We zitten in een transitieperiode. Maar die periode kan nog wel een jaar of tien duren.''