Vrijheid en een eigen atelier

Op de Rijksakademie werkt iedereen op voet van gelijkheid. Toch hebben begeleiders nog wel eens de neiging van `de ideale student' uit te gaan.

WANNEER EEN jonge kunstenaar op de Rijksakademie zijn entree maakt is zijn artistieke jeugd voorbij. Geen lessen meer, zoals op zijn vooropleiding, geen klassen, geen beoordelingen. De komende twee jaar krijgt de kunstenaar een atelier tot zijn beschikking en een uitgebreid assortiment aan begeleiders, die zijn atelier echter alleen maar zullen betreden als de student daar zelf om vraagt. Begeleiders heten niet docenten, want in dat opzicht heerst op de Rijksakademie een vriendelijke versie van Orwells All animals are equal but some animals are more equal then others-principe: iedereen is hetzelfde, maar toch niet helemaal.

,,Iedereen werkt hier zo veel mogelijk op voet van gelijkheid'', zegt beeldhouwer Auke de Vries, begeleider van 1986 tot 1997. ,,En daarom spreken we ook niet over studenten en docenten. De jonge kunstenaars die hier komen werken worden door de begeleiders gewoon gezien als collega's. De basis is dat we goede gesprekken hebben over kunst; ook de begeleider kan er wat van opsteken.''

De begeleiders zijn meestal ouder en ervaren. De `jongeren' worden daarentegen geacht op de Rijksakademie voor het eerst kennis te maken met de praktijk van het kunstenaarschap: uren, dagen, maanden alleen in het atelier, stug doorwerken aan je eigen ideeën zonder veel bevestiging van buitenaf en regelmatig overvallen worden door de vraag waarom je het in vredesnaam allemaal doet – al zijn er op de Rijksakademie dan natuurlijk de begeleiders om over je twijfels te praten.

Voor schilder Hannah van Bart, die van 1988 tot 1990 op de Rijksakademie zat en die vorig jaar de Philip Morris Award won, was de `begeleide vrijheid' de belangrijkste reden om zich voor de academie aan te melden. ,,Ik zag erg uit naar een eigen atelier, en de mogelijkheid om twee jaar in alle vrijheid en stilte te kunnen werken, dingen uit te kunnen proberen zonder dat ik verantwoording hoefde af te leggen. Ik had daarvoor de Rietveld-academie gedaan en wilde verder; juist de mogelijkheid van gesprekken met oudere kunstenaars sprak me aan. Dat bleek ook goed te gaan, zeker toen ik in het tweede jaar eenmaal mijn draai had gevonden.''

Ook voor schilder Michael Raedecker was het eigen atelier en de grote vrijheid de belangrijkste reden om zich voor de Rijksakademie aan te melden. Raedecker woont tegenwoordig in Londen, waar hij succesvol mag worden genoemd met zijn schilderijen waarop hij verf en borduursel combineert. Toen hij in 1993 naar de Rijksakademie ging had Raedecker, naar eigen zeggen, nog nooit een schilderij gemaakt. Net als Hannah van Bart had hij de Rietveld gedaan, maar de afdeling modevormgeving. ,,Ik was zoekende in die tijd, wist niet precies wat ik wilde. Toen ik mijn atelier in de Rijksakademie eenmaal had betrokken heb ik in een avond mijn eerste schilderij met verf en borduursel gemaakt. Ik wist meteen dat ik daarmee op de goede weg was. De Rijks bood me, juist door zijn opzet, uitstekend de gelegenheid dat werk verder te ontwikkelen.'' Onlangs won Raedecker de prestigieuze John Moores Award van bijna 80.000 gulden voor zijn schilderij Mirage en al eerder werd zijn werk aangekocht door de toonaangevende verzamelaar Charles Saatchi. Raedecker kreeg in Londen echter pas bekendheid nadat hij Goldsmiths college had doorlopen, de academie waar ook veel van de bekende `Brit-artists' naartoe zijn gegaan.

Maar Van Bart en Raedecker ondervonden ook dat de Rijksakademie in sommige minder aangename opzichten een afspiegeling vormt van de `echte' kunstwereld. ,,Wat ik aan het begin wel lastig vond'', zegt Hannah van Bart, ,,was dat ik het gevoel had dat er veel docenten een `ideale student' in hun hoofd hadden. Zeker op dat moment, eind jaren tachtig, worstelde de staf volgens mij nog met het idee dat de Rijksakademie ouderwets gevonden werd. Daarom stimuleerden ze vooral de meer `flitsende' kunstvormen, zoals fotografie en video. En dat betekende dat ze niet goed wisten wat ze met een schilder zoals ik aanmoesten, die soms maanden aan een doek kan werken. Daardoor had ik het gevoel dat ik er wat buiten viel. Pas toen in de zomer van het eerste jaar een onafhankelijke aankoopcommissie een doek van mij kocht, leek het of ze respect voor mij kregen, of alles op zijn plaats terechtkwam.''

Michael Raedecker heeft soortgelijke ervaringen. ,,Als een bekende schilder als Luc Tuymans een dagje langskwam wilde iedereen hem wel zien, terwijl hij natuurlijk maar tijd had voor een paar mensen. Dan maken de coördinatoren een keuze, wat nog al eens scheve ogen opleverde. Aan de andere kant: ik geloof wel dat ze er rekening mee hielden dat hij de volgende keer weer naar iemand anders ging, daar probeerden ze zo eerlijk mogelijk in te zijn.''

Zowel Raedecker als Van Bart hebben naar eigen zeggen baat gehad bij hun jaren op de Rijksakademie. Ze hebben er geleerd na te denken over hun werk en hebben er allebei een eigen `stijl' gevonden. Maar bovenal hebben ze geleerd goed na te denken over hun eigen manier van werken. Hannah van Bart: ,,Aanvankelijk, toen ik nog het gevoel had dat ik veel te langzaam werkte, werkte ik hele nachten door, om toch maar een beetje `snel' te zijn. Later, zeker in het tweede jaar, raakte ik op m'n gemak en leerde ik dingen die ik daarvoor niet durfde. Daar profiteer ik nog steeds van.''

Michael Raedecker: ,,Ik heb er veel aan gehad. De Rijksakademie biedt je fantastische faciliteiten en ze slagen er ook goed in allerlei goede kunstenaars te halen om te komen doceren. Maar zoals de kunstenaar Martin Kippenberger opmerkte, het is een prachtige opleiding, alleen jammer dat-ie in Amsterdam is. Als stad voor kunst telt Amsterdam in internationaal opzicht nu eenmaal niet echt mee. Het ligt niet centraal genoeg en er zijn maar een paar galeries die internationale contacten hebben. Omdat de Rijksakademie van beeldende kunsten graag internationaal wil zijn trekken ze veel studenten uit het buitenland aan. Maar wat gebeurt er: die werken twee jaar in de stad en pakken vervolgens hun koffers en trekken verder, er blijft maar een klein groepje achter. Daardoor ontstaat er in Amsterdam nog geen internationaal kunstklimaat, wat de Rijksakademie ook probeert

OUD-DEELNEMERS