Van Dale en de kenniseconomie

Sinds de nieuwe, dertiende uitgave van de Van Dale bestaat de kenniseconomie nu ook (quasi-)officieel. Het lijkt me een hele klus: tienduizenden woorden van een adequate definitie voorzien. De redactie wordt daarbij geholpen door 23 experts waaronder zelfs aparte specialisten voor schimmels en paddestoelen en voor Maleis! Wie zou geholpen hebben bij een thema als de kenniseconomie? Drs. P. Wagenaar, die over nieuwe media gaat, lijkt me nog het dichtst in de buurt te komen.

Volgens Van Dale is de kenniseconomie `de economie waarin de productiefactoren arbeid en kapitaal sterk gericht zijn op de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologie'. Zeker geen onverdienstelijke poging, al wordt hier een doel gesuggereerd – technologie – dat hoogstens een middel is. Voorzover arbeid en kapitaal als actoren beschouwd kunnen worden, denk ik dat dezen, naast mogelijk ook lol in hun werk, vooral gericht zijn op het vergroten van hun inkomen. Meer dan in het verleden moeten zij het daarbij hebben van succesvolle innovatie, die niet zelden neerkomt op de exploitatie van pure kennisinhoud, content. En daartoe is, inderdaad, in veel gevallen de ontwikkeling en toepassing van technologie vereist. Een kenniswerker is daarbij zeker meer dan Van Dale`s `werknemer die zich bezighoudt met het ontwikkelen en toepassen van kennisintensieve technologie'.

Positief in Van Dale`s definities is dat de redacteuren niet bezweken zijn voor de veel gehoorde oneliner dat in de kenniseconomie kennis de vierde, belangrijkste productiefactor is geworden. Veel commentatoren houden nochtans, wellicht in het voetspoor van de Amerikaanse oergoeroe Peter Drucker, van die uitspraak. Kennis is inderdaad geen aparte en ook geen nieuwe productiefactor. Van oudsher hangt ze immers voor een groot stuk samen met de productiefactor arbeid – die inderdaad steeds kennisintensiever is geworden. En wat zijn land of kapitaal zonder de kunde er productief mee om te springen?

Daarnaast vormen zowel land en zeker kapitaal (bijvoorbeeld in de vorm van machines) een materiële neerslag van voordien geaccumuleerde kennis. Land dat je op een goede manier bewerkt hebt, is productiever dan onbewerkte grond. En met machines werk je meestal productiever dan met de blote hand. De klassieke economen Smith, Ricardo en Marx redeneerden daarom niet ten onrechte dat die materiële productiemiddelen in laatste instantie herleid kunnen worden tot de ene centrale productiefactor arbeid. Land en kapitaal zijn productiever, omdat er voordien al werk is in gestopt. Die correcte observatie rechtvaardigt overigens niet de conclusie daaruit van een groot stuk van de historische arbeidersbeweging dat alleen de actuele arbeidskrachten recht hebben op het totale economische surplus.

Arbeid, land en kapitaal vertegenwoordigen dus elk een deel van de maatschappelijke kennis. De Groningse hoogleraar Jacques Boersma maakt in dit verband een onderscheid in gemechaniseerde, gedocumenteerde, geautomatiseerde en humane kennis: die is opgeslagen in respectievelijk machines, documenten, informatiesystemen en mensen.

Daar staat tegenover dat een groot stuk van de maatschappelijke kennis hoogstens indirect, via algemene ontwikkeling, een productieve functie heeft. De nieuwe Nederlandse Nobelprijswinnaar Velthuis herinnerde ons daar twee weken geleden nog aan.

Terug naar de nieuwe Van Dale, die bij nader inzien toch ouder(wetser) is dan hij er uit ziet. `Leren' wordt bijvoorbeeld – in 33 regels – vooral begrepen als onderwijzen of hoogstens, vanaf betekenis 8, als leren wat reeds bekend is. Betekenis 7 is prediken en betekenis 9 godsdienstonderwijs ontvangen. Dat laatste is blijkbaar iets wat apart moet worden vermeld.

`Technologie' is dan weer `de leer van de bewerkingen die natuurproducten moeten ondergaan om ze ten dienste van de industrie te laten functioneren'. Alleen ten dienste van de industrie? Niet bijvoorbeeld van Van Dale zelf?

Bij mijn weten ben ik in Van Dale nooit genoemd als medewerker. Toch bestond een van mijn eerste baantjes in Leuven als werkstudent (rond 1974, schat ik) erin op kopieën van de negende editie met kleurstift overal aan te geven waar de kwalificatie `(Zuidned.)' vermeld was. De toen net aangetreden redacteur en jonge (intussen al weer geëmeriteerde) hoogleraar Guido Geerts wilde daarvan immers een overzicht om te beoordelen wat hij in een volgende editie met de betreffende woorden aanmoest. Dat aanstrepen op basis van snel, diagonaal over de pagina heengaan was een rotklus, waar ik in mijn herinnering ongeveer een halve week mee zoet geweest ben. Je werd daar op zijn minst totaal tureluurs van. Nadien lekker een boek lezen of gaan studeren was er niet bij.

Tegenwoordig is de Van Dale op cd-rom verkrijgbaar en kun je in een keer alle woorden die onder een bepaalde categorie vallen, opvragen. Zo heeft de redactie zelf in deze editie meer eenvormigheid kunnen aanbrengen in de definities van hele reeksen met elkaar verbonden woorden. Van Dale, bij uitstuk een onderdeel van de kenniseconomie, gebruikt de technologie dus zelf eerder om haar kennis te vermeerderen dan omgekeerd. Mijn definitievoorbeelden illustreren intussen dat zelfs in dit hightechtijdperk kenniswerk voor een heel groot stuk mensenwerk blijft.