Slank het parlement af

De provincie Zuid–Holland heeft het grootste aantal Statenleden van Nederland: 83 afgevaardigden, van wie zes het college van Gedeputeerde Staten vormen. Ondanks het grote aantal `controleurs' konden de dagelijkse bestuurders van de provincie, niet gehinderd door lastige Statenleden, een uitermate creatief financieel beleid voeren. Waarmee maar weer eens bewezen is dat de kracht van het toezicht niet zit in de omvang van het aantal controleurs.

In de notitie `Beperking van het aantal leden van de Provinciale Staten' die minister Peper van Binnenlandse Zaken twee weken geleden naar de Tweede Kamer stuurde, wordt de Zuid-Hollandse bankiersaffaire niet genoemd. Peper heeft voldoende andere argumenten om voor een verkleining van de Provinciale Staten te pleiten. Zijn belangrijkste motief is dat een kleiner samengesteld provinciaal bestuur slagvaardiger kan opereren. ,,Het zou de voorkeur verdienen indien Provinciale Staten zich meer op hoofdlijnen dan op details gaan concentreren', aldus Peper in zijn notitie.

Hij voelt zich in die mening gesterkt door het rapport `Tussen staat en electoraat' van de Raad voor het Openbaar Bestuur dat een jaar geleden uitkwam. In dat rapport maakt de Raad melding van een ,,toenemende vervlechting van wetgevende en bestuurlijke macht'. Om daar direct aan toe te voegen dat ,,met name de bemoeienis met politiek-bestuurlijke detailkwesties en uitvoeringsaangelegenheden in dat verband markant is'.

Ook de Raad voor het Openbaar Bestuur kwam tot de conclusie dat de kwaliteit van het openbaar bestuur gebaat is bij politici die op hoofdlijnen sturen. ,,Door nadrukkelijker op hoofdlijnen te sturen kunnen beleid en uitvoering, regelgeving en bestuur beter worden gescheiden, kunnen volksvertegenwoordigers meer afstand houden van bestuurders en zich meer als controleur dan als medebestuurder manifesteren. Dat komt hun herkenbaarheid ten goede', aldus de Raad. Om dat te bereiken zou volgens dit adviescollege in een aantal gevallen de vertegenwoordigende lichamen moeten worden verkleind.

De Raad specificeerde dit helaas niet. Minister Peper doet dit nu wel door een pleidooi te houden voor een verkleining van de Provinciale Staten. Maar hoe zit het eigenlijk met de Tweede Kamer? Als er ergens detailkluivers zitten is het wel daar. Als er ergens een politiek lichaam is dat zich vooral als medebestuurder manifesteert, is het de Tweede Kamer. Als er ergens politici zitten met een herkenbaarheidsprobleem, dan is het wel in de Tweede Kamer. Met andere woorden: als Peper toch met een politieke afslankoperatie wil beginnen, waarom neemt hij dan ook niet direct de Tweede Kamer mee? Europa heeft heel veel Haagse taken overgenomen, terwijl ook gemeenten en provincies veel zaken vanuit Den Haag hebben toegeschoven gekregen. De Tweede Kamer zou gemakkelijk terugkunnen naar de omvang van voor 1956, toen het werk door 100 volksvertegenwoordigers werd verricht.

Uit doelmatigheidsoverwegingen kan Peper een voorstel om de Tweede Kamer te verkleinen ongetwijfeld beter nalaten, want er zal nooit een meerderheid in diezelfde Tweede Kamer voor te vinden zijn: men snijdt nu eenmaal niet in eigen vlees. Maar als intellectuele exercitie zou het toch de moeite waard zijn. Want waarom wel praten over taken en bevoegdheden van de Eerste Kamer en niet discussiëren over het eigen functioneren?

Nu de Tweede Kamer met ingang van dit jaar zelfs het herfstreces voor zichzelf heeft geïntroduceerd, mag toch de vraag worden gesteld of het allemaal niet wat te ruim bemeten is. Er lopen op het Binnenhof volksvertegenwoordigers rond voor wie een verblijf in het Big Brother-huis waarschijnlijk aanzienlijk meer opwindend zou zijn dan hun vrijwillige opsluiting in de Tweede Kamer. Zeker, allemaal hebben ze het druk, druk, druk, maar met wat? Terwijl de fractiespecialisten zich verder ingraven in de eigen portefeuille, verliezen ze het zicht op de grote politieke lijn. Haast ongemerkt worden ze daardoor het bureaucratisch labyrint ingezogen. Gewapend met nog meer kennis, kunnen ze vervolgens nog gedetailleerder vragen stellen. Het staat zeer geleerd, maar het is in wezen omgekeerd evenredig aan de effectiviteit van de parlementaire controlefunctie, die gebaat is bij zo nu en dan oprechte verbazing.

Commissievergaderingen waarbij drie, vier ministers plus nog een aantal staatssecretarissen moeten opdraven, zijn geen uitzondering. Omdat – als het er echt toe doet – zaken altijd weer plenair aan de orde komen, zijn dit soort brede commissievergaderingen vooral een openbare oefening in de tijd uitzitten. Het voltrekt zich geheel conform de oeroude economische wet dat het aanbod de vraag schept. Vandaar dat er dan ook wat aan de aanbodkant, de omvang van de Kamer, zou moeten gebeuren.

De bekende tegenwerping luidt dat individuele Kamerleden nu al een haast onmogelijke strijd voeren tegen het kabinet, dat met het gigantische ambtenarenapparaat het monopolie van de feiten bezit. Maar die ongelijkheid wordt niet weggenomen door een Kamerlid zich te laten ontwikkelen tot superspecialist.

Een paardenmiddel als het verkleinen van de Tweede Kamer zou er toe kunnen bijdragen dat parlementariërs zich wel moeten beperken tot de hoofdzaken. Exact dezelfde reden dus waarom volgens minister Peper de Provinciale Staten het met minder vertegenwoordigers zouden kunnen stellen. En natuurlijk betekent dit niet dat de Tweede Kamer dan helemaal op een informatie-achterstand komt te staan ten opzichte van de ministers. Het wordt hoog tijd dat nu eens eindelijk serieus werk wordt gemaakt van een eigen, gedegen parlementair onderzoeksinstituut. Met het geld dat wordt verdiend met het verkleinen van de Kamer zou een veelvoud aan gedegen onderzoekers kunnen worden aangesteld.

Het enige echte probleem van een maatregel waarbij de Tweede Kamer wordt teruggebracht van bijvoorbeeld 150 naar 100 leden is de positie van de kleine partijen die een hogere kiesdeler moeten halen om een plaats in het parlement te bemachtigen. Maar nu zelfs GPV en RPF vorige week hebben besloten samen te gaan, kan dat geen onoverkomelijk bezwaar meer zijn.