Ruimdenkend en rustig

,,Hoe kan iemand zo verschillen van zijn vader?'' Deze vraag dringt zich vaak op betreffende Jorgos Papandreou, de huidige Griekse minister van Buitenlandse Zaken, oudste zoon van wijlen premier Andreas Papandreou. Zo rustig en zo `ruimdenkend' de zoon optreedt, zo populistisch en nationalistisch was de vader.

In het debat over de uitbreiding van de Europese Unie met Turkije speelt Jorgos Papandreou een sleutelrol. Het was Griekenland dat zich jarenlang verzette tegen een mogelijke aansluiting van Turkije, maar Papandreou heeft sinds zijn aantreden in februari een uistekende werkrelatie ontwikkeld met zijn Turkse ambtgenoot Ismail Cem. Ook de aardbevingen in beide landen, en de wederzijdse solidariteit die deze teweeg brachten, hebben bijgedragen aan de Grieks-Turkse toenadering. Op zeer velen in het buitenland, maar ook op menigeen in Griekenland werkt de zoon van de oude Papandreou als een verademing.

Jorgos was dertien toen de kolonelsjunta, in 1967, zijn vader kwam arresteren. Deze had zich op het dak van zijn huis verscholen, maar sprong te voorschijn toen hij merkte dat de politiemannen Jorgos wilden meenemen in plaats van hem.

Het jarenlange verblijf in het Westen – vooral Canada – heeft van Jorgos meer een `Europeaan' gemaakt dan van Andreas, die na zijn studies in Amerika in zijn ministerschap wilde bewijzen hoe Grieks hij was gebleven. Dit ging lang gepaard met diep wantrouwen tegen de VS, de NAVO, de EEG en alles wat Westers was. Misschien heeft de jonge Jorgos zich daar toen al, bewust of onbewust, tegen afgezet.

Openlijke conflicten met zijn vader zijn er niet geweest, maar dat kwam ook doordat Andreas zijn zoon vrijliet in het verkondigen van, voor Griekenland, zeer gewaagde meningen. Zo begon Jorgos al tijdens het leven van zijn vader te pleiten voor onderscheiding van hard- en softdrugs, en decriminalisering van drugsgebruik, waarbij hij zelfs nog verder wilde gaan dan Nederland, zijn grote voorbeeld (waaraan hij op 9 november een bezoek brengt).

Voor veel Grieken is hij nog steeds de man die vrijheid bepleit voor het verbouwen van marihuana. Voor traditionele Grieken, vooral uit het kamp van de regerende PASOK, is dat onbespreekbaar, maar niettemin is er veel respect voor de grote achternaam Papandreou. Daartoe draagt ook grootvader Jorgos bij, die premier was in de jaren veertig en van 1963 tot 1965 en door koning Constantijn ten val werd gebracht.

Maar er zijn ook vinnige en zelfs giftige geluiden. In een cartoon van het dagblad Eleftherotypia werd er onlangs aan herinnerd dat zijn grootmoeder een Poolse was (tweede echtgenote van de oude Jorgos), zijn moeder een Amerikaanse (tweede echtgenote van Andreas), een van zijn zusters een Zweedse (natuurlijke dochter van Andreas) en zijn geestelijke moeder een `joods-Tsjechische' (Albright). Hier komen we op het terrein van de tegenstand, die groeiende is, maar als gezegd nog sterker zou zijn als hij niet de naam Papandreou droeg. De tegenstanders lijken nog in de minderheid. De meerderheid volgt het optreden van de minister, in het kielzog van de `verbroedering' met de Turken, met vriendelijke en nieuwsgierige belangstelling.

Zijn grootste tegenstander bevindt zich momenteel niet in het kamp van de rechtse oppositie, maar in het eigen socialistische. Het is zijn voorganger Theódoros Pangalos, die het niet kan verkroppen dat hij zijn positie heeft moeten afstaan door zijn onhandige aanpak van de affaire Öcalan in februari jongstleden. In een vraaggesprek heeft hij onlangs zowat de oorlog verklaard aan zijn opvolger, ,,die nooit mijn vriend was en dat ook nooit zal worden''. Hij poneerde openlijk dat de Verenigde Staten zijn ontslag hadden afgedwongen en schilderde Jorgos af als een soort hielenlikker die zich omgaf met verdachte figuren, meer Engels- dan Griekssprekend. Hij denigreerde ook de `danspartijen met de Turken' als totaal misleidend – Ankara zou zijn koers niet wijzigen zolang de militairen het daar voor het zeggen hebben.

Het was zo'n akelig, egocentrisch vraaggesprek dat het satirische weekblad Pondiki, geenzins op de hand van Jorgos, verklaarde dat men voor de minister juist door deze aanval wat sympathie zou kunnen opvatten. Vlak daarop gebeurde er trouwens iets vreemds: de hele rechtse oppositie viel over Papandreou heen omdat hij op de topconferentie in het Finse Tampere had verklaard dat zijn regering niet dogmatisch was en best wat soevereine rechten wilde offeren terwille van een gemeenschappelijk Europees rechtsstelsel. Door oppositieleider Kostas Karamanlis werd zelfs zijn aftreden geëist. Nu kwam de grillige Pangalos zijn opvolger te hulp en verkondigde dat dát onzin was.

Maar intussen heeft hij hem al weer aangevallen op de uitspraak dat de Grieks-Turkse toenadering om `concessies van beide zijden' vraagt. ,,Dat is Amerikaanse taal, bij de nadering van de bezoeken van Clinton aan Athene en Ankara'', brieste oud-minister Pangalos, die volhoudt dat Athene al genoeg concessies heeft gedaan en Ankara nog niet één. Zeker is dat de positie van de ruimdenkende en de rustige minister in de toekomst staat of valt met enkele, eventueel door Clinton afgedwongen Turkse concessies, vooral ook aangaande Cyprus. Want ook op dat eiland koesteren veel Grieken argwaan over zijn optreden.