Ook gezagsgetrouwe burgers kunnen krakers worden

Het kraken van woningen was in de jaren '70 aan de orde van de dag. Vooral in Amsterdam leidde het vaak tot hevige rellen. De straatgevechten tijdens de inhuldiging van koningin Beatrix in Amsterdam bezorgden de hoofdstad het imago van anarchistisch bolwerk. Wijlen Parool-redacteur Evert Werkman keek in 1983 terug op een van de roerigste periodes uit de Nederlandse geschiedenis.

Wanneer heb ik mijn eerste kraker ontmoet?

Dat moet omstreeks 1975 zijn geweest. Een afspraak dreigde de mist in te gaan omdat één man niet kwam opdagen. We hadden al besloten op te breken toen hij hijgend binnen kwam hollen met veel excusus. ,,Ik moest', zei hij, ,,even een woninkie kraken in de Pijp voor m'n dochter. En als je dat niet meteen doet is een ander je voor.' De rest van het gezelschap knikte instemmend en we gingen over tot de orde van de dag. Klein detail: de betrokken kraker was ambtenaar bij de gemeente Amsterdam.

Mijn tweede kraker was een kraakster, een charmante jonge vrouw die met haar vriend een etage in de Concertgebouwbuurt bewoonde. De plafonds waren niet meer in zo'n erg goede staat, de trapleuning was helemaal verdwenen en het afdakje boven de waranda lekte. Voor het overige was het een aangename woning in een aantrekkelijke buurt. Ik vroeg of de huisbaas niet bereid was de ergste ongemakken weg te nemen. Dat bleek niet het geval want de etage was gekraakt. Met stilzwijgende instemming van de eigenaar die al lang tevreden was als hij iedere maand zijn huurpenningen kreeg. Maar dan wel zonder gezeur over reparaties en zo.

Twee ervaringen die aantonen dat het kraken in Amsterdam al vele jaren tot de beste tradities van de hoofdstad kan worden gerekend. Bovendien blijkt er uit dat het betrekken van een leegstaande woning zonder enige vergunning van overheidswege niet per definitie als iets onoirbaars wordt beschouwd. Woningen zijn distributieartikelen, maar als de distributie niet functioneert ga je zelf andere regels toepassen, zeker als je in Amsterdam woont.

Sinds wanneer wordt er gekraakt? Misschien al sinds mensenheugenis, maar als dat zo is, noemden we het wel anders. Althans moeten we er op gezag van de neerlandicus dr. Riemer Reinsma van uitgaan dat het werkwoord kraken in de thans gangbare zin – voorheen kraakten de notendoppen, de planken op de overloop en de wagens die het langst duren – pas sinds 1969 wordt gebruikt. Hij vermeldt dat jaartal nadrukkelijk in zijn in 1975 verschenen woordenboek van Nederlandse neologismen, hoewel de oudste bron die hij aanhaalt van 1971 is: een regeltje van Carmiggelt gevolgd door – een jaar later – een regeltje Piet Grijs. Het aan het werkwoord ontleende zelfstandig naamwoord kraker krijgt maar een enkele bronvermelding mee en wel uit de Volkskrant van 8 maart 1974, een te opmerkelijke zin overigens om niet even te citeren. ,,Een verbod op het te lang laten leegstaan van verpauperde panden zou als landelijke regeling moeten worden ingevoerd', schreef dit ochtendblad, ,,teneinde concentraties van krakers te verhinderen.' Alsof het over kakkerlakken in plaats van over krakers gaat.

Het citaat bewijst dat krakers in het jaar 1974 zelfs in periodieken met een progessief etiket nog als lastige onderdelen van de samenleving werden beschouwd. Allicht, want ze gedroegen zich niet zoals het behoorde. Wie een woning wilde hebben, diende aan te sluiten in de lange rij voor de loketten van het gemeentelijk bureau Herhuisvesting teneinde vooral met veel geduld op zijn beurt te wachten. Dat de krakers daar genoeg van hadden, kan men eigenlijk niet eens stellen: de meesten hadden nog nooit in de rij gestaan maar meenden met het koevoetje meer te bereiken dan met het balpennetje. Ze hadden nog gelijk ook.

O ja? En mocht dat dan zo maar?

Natuurlijk niet. En er zijn nog rechters in ons land.

Maar het vervelende voor al degenen die het kraken maar een schandalig verschijnsel vonden, was dat de rechter in dit geval minder rechtlijnig dacht dan zij veronderstelden. Het wederrechtelijke van de koevoet was, zo meende het hoogste rechtsorgaan, de Hoge Raad, niet altijd wederrechtelijk. Soms wel, soms niet.

Waarmee het hek van de dam was.

In beginsel is het natuurlijk zo dat je als brave burger geacht wordt de van overheidswege vastgestelde regels te volgen die opgesteld zijn teneinde een rechtvaardige distributie van woningen tot stand te brengen. Maar wanneer je met je eigen ogen constateert dat goede woningen maanden leeg blijven staan om welke reden dan ook, dat een huiseigenaar opeens niet meer bereid is een woning te verhuren maar dat je die ruimte wel kunt kopen, dat menige huiseigenaar het vertrek van een huurder aangrijpt om een woning snel te renoveren teneinde daarna aanspraak te kunnen maken op een hogere huur en die renovatie uit weinig meer bestaat dan een snel geïmproviseerde douchecel en een nieuw keukentje, wanneer je alweer met je eigen ogen waarneemt dat er wel dure tot zeer dure appartementen verrijzen die daarna onverhuurbaar, subsidiair onverkoopbaar blijken, dat nog goede woonblokken worden gesloopt om plaats te maken voor kantoorgebouwen waaraan op dat moment niemand behoefte heeft, wanneer de speculatie in onroerend er toe leidt dat er enorme bedragen worden verdiend aan de heersende woningnood – ja, dan rijst ook bij de meest gezagsgetrouwe burger het vermoeden dat er iets niet klopt.

Een stapje verder nog en je wordt kraker. Waarna je met een kleine zijsprong belandt in de stadsguerrilla, in de stadsoorlog, in de grote confrontatie met het gezag, in het straatgevecht, met de politie. Hoe zoiets gaat, hoe zoiets uit de hand loopt vooral, heeft Amsterdam in 1980 ondervonden. Het is een verhaal van macht en onmacht, van harde werkelijkheid en barricaderomantiek, van water in de wijn en olie op de golven, van hoogwerkers en containers, van waterkanonnen en traangas. Vóór alles is het een weinig vrolijk verhaal.

Het begon allemaal in het eerste weekend van de derde maand. De locatie was het kruispunt Eerste Constantijn Huygensstraat-Vondelstraat, waar een groep krakers zich had genesteld, er door de politie uit was verdreven, maar teruggekeerd in hun bastion vastbesloten was zich niet nogmaals op straat te laten zetten. Trottoirtegels werden opgebroken, bouwketen werden omgegooid, barricaden opgericht. Toen kwam de politie, er ontstond een forse kloppartij en de sterke arm zag zich genoodzaakt te retireren, vijfentwintig gewonden met zich voerend.

De politie verslagen en de krakers overwinnaars?

Een onhoudbare toestand. Niet alleen trouwens terwille van het gezagsprestige, maar ook om praktische redenen: een stedelijke samenleving kan zich geen barricaden veroorloven. Terwijl de krakers met hun sympathisanten, onstuwd door een schare nieuwsgierigen hun overwinningsfeest vierden, werd er elders druk overleg gepleegd. Boven de stad cirkelde een helikopter, geruchten deden de ronde over zich samentrekkende politieversterkingen, gemeenteraadsleden beijverden zich contacten te leggen tussen overheid en krakers, vanuit het Hilversumse trokken de cameramensen in gesloten gelederen op om schouder aan schouder met hun collega's van de radio de stad en het land verslag te doen van wat er in Amsterdam gaande was.

's Maandagsochtends vroeg kwam de anticlimax, snel, radicaal.

Tanks dreunden door de straten, weliswaar nog niet om het vuur te openen op het krakersvolk, maar wel om de straatversperringen met hun stalen gewicht snel op te ruimen. De rest was een fluitje van een cent.

Maar zo simpel was het natuurlijk niet. Die tanks — en een tank blijft een tank, ook al rijdt er geen kanonnier mee — haalden alom de voorpagina's en het televisiescherm in binnen- en buitenland. Was in Amsterdam echt de burgeroorlog uitgebroken? Natuurlijk niet, maar leg het allemaal maar eens uit, vooral als je wordt overschreeuwd door politici van allerlei allure die van de onrust, de verontwaardiging, de boosheid best een graantje willen meepikken.

Dat niet alleen het Amsterdamse stadsbestuur maar ook het door Dries van Agt aangevoerde kabinet er naar streefde de onrust zo gauw mogelijk uit de wereld te helpen, was begrijpelijk: nog maar enkele weken en in de Nieuwe Kerk zou koningin Beatrix worden ingehuldigd. Dat de krakers en hun aanhang het Oranjefeest zouden aangrijpen om opnieuw van zich te laten horen, lag voor de hand. De stad was al opgetuigd met allerlei anti-Oranjeleuzen zoals Trix is ook Nix, geen kroning geen woning en — terwille van de duizenden vreemdelingen die verwacht werden: Put the crown upside down, een uitnodiging raadselachtig genoeg om je tot nadenken te stemmen. Meer met het oog op het aardige rijm dan om de zinvolle betekenis, werd daar ook nog de slogan Kein Haus kein Klaus aan toegevoegd.

Inmiddels stapelde de conflictstof zich verder op. Niet alleen was daar het al lang bezette kantoorpand aan de Keizersgracht bij de Reestraat, dat zich met de sierlijke naam Grote Keizer had getooid (gespeld: Groote Keyser), op 3 april bezetten zo'n zestig krakers ook nog eens het appartementencomplex aan de Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station, een duur complex en van de 52 woningen waren er dan ook pas vijf verkocht. Vijf dagen later bestormden 150 krakers het gebouw van de Gemeentelijke Dienst Herhuisvesting om er korte tijd later door de mobiele eenheid van de politie weer uitgezet te worden. Een volstrekt zinloze daad zou je zeggen. Of is het zinvol de dossiers van zo'n vijfhonderd mensen zoek te maken?

Het is de vraag of op dit moment de sympathie die toch wel in brede kring voor de krakersgroep bestond al niet een flink eind was gedaald. De veldslag in de Vondelstraat – om maar een oorlogsterm te gebruiken – had nog iets heroïsch, maar verloor al veel van zijn glans toen de televisie beelden vertoonde van nauwelijks de peuterspeelzaal ontgroeidde knaapjes die enthousiast met stukken trottoirtegel naar de politie mikten. De rel in de Van Reigersbergenstraat en de onbedekte en bedekte opwekkingen om er op 30 april maar 's flink tegen aan te gaan, toonde aan dat de kraakbeweging aan de leiband ging lopen van krachten die zij zelf allerminst beheerste.

Op de inhuldigingsdag liep het dan ook flink uit de hand. De krakers zeiden een straatfeestje te willen houden, anderen dachten een optocht te kunnen organiseren van het Waterlooplein naar de Dam. Ze lieten een spoor van vernielingen achter zich. ,,Onnodige en zinloze vernielingen', zei Ria Beckers later. Met de woningnood had dit alles al lang niets meer te maken: ordinaire relschoppers liepen nu voorop, zij maakten de dienst uit, zij waren de strategen.

Er was ook de gebruikelijke nasleep. Er waren debatten in de gemeenteraad waarbij het opmerkelijk was hoe voorzichtig er werd gemanoeuvreerd om enerzijds de wanordelijkheden af te keuren, anderzijds toch vooral niet het beleid van burgemeester en hoofdcommissaris bij te vallen.

Midden in dat roerige jaar werd de hoogste chef van het Amsterdamse politiekorps vervangen door een nieuwe functionaris, J. Valken, die Th. Sanders opvolgde. Zijn installatie op 1 juli werd twee dagen later begeleid door nieuwe herrie in de stad, nu om het pand De Vogelstruys aan Herengracht en Singel. Het traangas daar was nauwelijks opgetrokken, de stenen waren nauwelijks opgeruimd, of mr. Borgerhoff Mulder, president van de Amsterdamse rechtbank, begaf zich naar de Prins Hendrikkade teneinde met eigen ogen de situatie in de gekraakte flats in ogenschouw te nemen. Kort daarna beslite hij dat die flats mochten worden ontruimd als de eigenaar er in zou slagen te bewijzen dat ten minste één van de gedaagde krakers er woont en dat deze had deelgenomen aan de bezettingsactie.

Dat bewijs werd geleverd. Ontruiming dus. Hoe en wanneer?Burgemeester Polak, toch al in een lastige positie verkerend vanwege het nog altijd niet ontruimde pand De Groote Keyser, meende dat er eerst nog maar eens met de krakers moest worden gepraat. Misschien - wie weet? - waren ze nog best voor rede vatbaar, maar erg hoopvol zag het er niet uit. De panden aan de Prins Hendrikkade werden bevoorraad met allerlei materiaal dat zou kunnen dienen tot verdedigen van de vesting. `Ontruiming? Vergeet het maar!' was een der teksten van een spandoek dat voor de gevel was gehangen.

Op 19 augustus volgde de ontruiming. Met zoveel vertoon van macht dat er echt even op leek dat er in Amsterdam een stadsoorlog was uitgebroken: hoogwerkers en kranen werden voor het pand geplaatst, een menigte politie zette het Stationsplein en omgeving af, stenen vlogen door de lucht, met behulp van waterkanonnen en traangas werden de stenengooiers op een afstand gehouden, de deurwaarder gelastte met luider stem `in naam der wet' de krakers het pand te verlaten en dat had tot gevolg dat een van hen in een raamkozijn verscheen om mee te delen dat de bewoners al waren verdwenen. Ze bleken naderhand een schuilplaats te hebben gevonden in de aangrenzende Sint Nicolaaskerk. `Gedisciplineerd optreden van de krakers', meldde de Vara. Maar dan wel nadat even gedisciplineerd de interieurs van de flats waren vernield.

Zo was Amsterdam in dat roerige jaar 1980 het toneel van veel heisa, van veel gerelderel met - het zij nogmaals onderstreept - als uitgangspunt de niet afnemende woningnood en de rampzalige gevolgen van de speculatie in onroerend goed. Maar wie herkende dat uitgangspunt nog temidden van het niet afhoudende rumoer? Bij de velen die felle kritiek hadden op het gevolgde beleid voegde zich nu nog een groep die men allerminst verwacht zou hebben: de politie. Geen wonder eigenlijk, want je zult maar agent van politie zijn in Amsterdam, op je gemak bonnetjes uitschrijvend voor verkeerd geparkeerde auto's en dan voortdurend moeten horen dat je beter naar de Groote Keyser kunt gaan om daar de orde te herstellen. Geheel afgezien daarvan rees trouwens bij vele trouwe dienaars van de sterke arm de vage onrust dat men eigenlijk voortdurend bezig was de belangen van particuliere huizenbezitters te behartigen, ook al waren al die acties ook een uitvloeisel van de door de rechter genomen beslissingen. Gefrustreerde politiemensen, geïrriteerde raadsleden, een geplaagde burgemeester, vooral gehinderd door de minister van binnenlandse zaken die wil dat in Amsterdam krachtiger wordt opgetreden, verontwaardigde burgers die het krakersnest aan de Keizersgracht opgeruimd willen zien, dit alles begeleid door commentatoren van radio, televisie, dagbladen, weekbladen, die enerzijds minister Wiegel bijvallen, anderzijds de krakers aanmoedigen en hen bij voortduring een heldenrol toeschrijven, ziedaar Amsterdam 1980, een niet zo vrolijke stad.

De laatste kraakstunt zou nog voor het eind van het jaar snel en radicaal worden opgeruimd: het pand de Grote Wetering tegenover het Rijksmuseum werd op 3 december met dezelfde spectaculaire middelen ontruimd als op de Prins Hendrikkade werden gebruikt. Eindelijk recht, ook hier? Formeel wel. De winnende partij was in feite de eigenaar van het pand. `Je vraagt je langzamerhand af of een dergelijke ontruiming met zulke malle middelen als hijskranen, compressors, containers en brandslangen nog wel politiewerk is', merkte Leen van der Linden van de Politiebond op. Bij die malle middelen behoorden deze keer ook nog een als Sinterklaas en Zwarte Piet verkleed politieduo, een grap. `Een beetje walgelijke, misplaatste grap', meende CPN-raadslid Roel Walraven.

Iets walgelijker, iets misplaatster nog was de grap die zich ongeveer een jaar later voltrok. Het ging toen om een huizenblok aan de Wibautstraat, door verregaande verwaarlozing dermate verkrot dat het alleen nog maar kon worden gesloopt teneinde er nieuwe woningen te bouwen. Krakers namen er bezit van, noemden hun nieuwe bolwerk De Blaaskop, verfden de gevel blauw en zeiden dat ze er niet aan dachten heen te gaan. Toen ze daartoe toch werden gedwongen, reageerden zij hun boosheid af op het standbeeld van Wibaut op het pleintje vooor het glazen paleis, waarin onder meer de dienst Openbare Werken is gehuisvest. Het beeld van de man die in belangrijke mate de volkswoningbouw in Amsterdam heeft gestimuleerd, werd omver getrokken. Daarmee wel het laatste restje sympathie dat er aanvankelijk zeer zeker onder de bevolking bestond voor de krakers geheel verspelend.

Het merkwaardige toeval was dat dit vandalisme zich kon voltrekken zonder dat de politie ingreep. Liever gezegd: het was geen toeval, het kon allemaal gebeuren doordat de politie had besloten tot een nieuwe tactiek. Al te vaak immers had het verwijt geklonken dat de aanwezigheid van een grote politiemacht provocerend zou werken op de tegenstanders. Dan maar eens zonder die provocatie en gewoon eens niet reageren op zo'n rel.

Een half uur later was het bewijs van die provocatiestelling bewezen. Een zwarte rookwolk hing boven de Blaaskop, Wibaut lag geveld naast zijn sokkel. Achter de ramen van de hoge Wibautstraat keken de ambtenaren toe naar de taferelen op straat. Niemand die naar beneden stormde en met de krakers op de vuist ging? Nee, allicht niet.

Een verkeerde tactiek dus. Maar wel voor herhaling vatbaar, zoals later op het Waterlooplein nog eens zou blijken.

Weet iemand een gepaste oplossing? Dat hij zich naar het Amsterdamse stadhuis spoede.

Wie probeert de kraakbalans op te maken, zal niet gauw tot een opgewekt saldo komen.

Op het gemeentelijk bureau Herhuisvesting vullen ambtenaren nog altijd formulieren in en proberen het weinige dat zij hebben aan te bieden zo eerlijk mogelijk te verdelen. Een enkele keer worden zij in die bezigheid gestoord door een ontploffende bom in het voorportaal waarvan de verantwoordelijkheid wordt opgeëist (internationaal terreurjargon voor: ik heb het gedaan) door een groep die niemand kent en waarvan de ware, orthodoxe kraker zich onmiddellijk zal distantiëren. De woningnood is in Amsterdam nauwelijks verminderd. In een aantal negentiende-eeuwse wijken schiet de buurtrenovatie wel flink op, er liggen plannen gereed voor zelfs grootscheepse stadsuitbreidingen, de Groote Keyser is nog altijd een bastion, de flats aan de Prins Hendrikkade zijn bewoond, het terrein van de Blauwkop wordt bouwrijp gemaakt, evenals dat van de Grote Wetering.

Rust aan het krakersfront? Niet in het minst. Wat vandaag leeg staat, wordt morgen bezet en als de lakens met leuzen eenmaal uit de ramen hangen, doe je niet zo erg veel.

De romantische waarnemer veronderstelt nog steeds dat er een stadsguerrilla bestaat en dat die guerrilla een oorlog voert om te laat tot de ontdekking te komen dat nogal wat strijders onder de kraakvlag arrogante, vervelende en vooral over het paard getilde knapen zijn die heel wat misère hebben aangericht zonder dat hun gerelderel iets positiefs heeft opgeleverd, behalve de ongetwijfeld forse honoraria voor een groep juristen die onvermoeid de toga aantrekt om recht en onrecht te verdedigen of te bestrijden.

Het gekraakte woninkje in de Pijp van lang geleden staat er nog altijd knap bij. Alleen is er nu een andere bewoonster, want de eerste – ik kom haar vader nog wel eens tegen – is inmiddels fatsoenlijk getrouwd en woont met man en kind in die verre Amsterdamse buitenwijk die Almere heet. En die etage in de Concertgebouwbuurt wordt nu ook door anderen bewoond. De plafonds zijn hersteld, de lekkage is verholpen en de doe-het-zelfwinkel in de buurt in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht. De nieuwe bewoners kijken uit op een reclamezuil waarop een poster is geplakt met een tekst die veronderstelt personeel te werven voor de Amsterdamse politie:

Bankoverval op de Munt. – Hoe zou jij dat aanpakken?

Nooit lees je de tekst: Pand gekraakt in de Vondelstraat. – Hoe zou jij daarop reageren?

Dit is de tiende aflevering van een serie waarin uit alle decennia van de afgelopen eeuw een voor dat decennium kenmerkend artikel wordt geplaatst.

©1983 Tiebosch Uitgeversmaatschappij bv Amsterdam