Nederlandse verwennerij

De Rijksakademie van beeldende kunsten wordt na bijna 130 jaar verzelfstandigd. In november stellen de studenten van de academie hun atelier weer open voor het publiek en op 11 november zal staatssecretaris Rick van der Ploeg de Prix de Rome uitreiken aan zeven Nederlandse jonge kunstenaars. Portret van een instituut dat het stof van zich heeft afgeworpen.

Uit de jaarlijks honderden aanmeldingen kunnen steeds dertig kunstenaars de Rijksakademie binnentreden om zich verder te bekwamen in de beeldende kunsten.

DE RIJKSAKADEMIE in Amsterdam is een paradijselijke schuilplaats. Alles en velen staan de jonge, beeldende kunstenaar uit Nederland en daar buiten vrijelijk ter beschikking. Ruime werkplaatsen op de begane grond van de voormalige Kavallerie-kazerne, bieden bijvoorbeeld hout- en ijzerbewerkingsmachines, persen voor grafisch werk en de meest uiteenlopende verfsoorten, pigmenten en glazuren. Een corps van technici begeleidt de kunstenaar waar ook maar nodig.

Wie zich liever in de nieuwe media verdiept, zoals internet, video en photoshopping - en dat zijn steeds méér kunstenaars -, trekt zich terug achter de beeldschermen van het 24 uur per dag operatieve `media-schip' onder het houten dak van de voormalige manege, gedompeld in de rust van een 19de-eeuwse bibliotheek. Of maakt u liever kleurenfoto's op billboard-formaat? Geen probleem, sinds kort is ook die apparatuur aanwezig.

Vraag aan zes van de zestig uitverkoren beeldende kunstenaars naar hun ervaringen op dit postacademische instituut en men klaagt nimmer, nee, men geniet zelfs. Met die aantekening, dat de Argentijnse precisie-schilder Patricio Larrambebere (31) zijn vrienden en familie in Buenos Aires mist en dat Ade Darmawan (25), voor het eerst in Europa en maker van maatschappij-kritische affiches, zijn politiek engagement niet kwijt kan in dit luxueuze, westerse kunstenaars-isolement: ,,Ik leer mezelf kennen, ik vecht met mijn angst, woede en verveling. Ik ben hier, omdat ik terug wil.''

De installatie- en videomaker Bojan Sarcevic (24), al jaren woonachtig buiten het voormalig Joegoeslavië, verbaast zich over het `hedonistisch klimaat' in Nederland: ,,Kunstenaars krijgen hier geld van de overheid. Niets voor mij, je hoeft jezelf geen schop meer te geven. En die heb ik nodig. Ik wil met de verkoop van mijn eigen werk helemaal in mijn eigen onderhoud voorzien'', zegt hij als een hardvochtige middenstander, wars van elke baas boven zich.

Uit de jaarlijks circa zevenhonderd aanmeldingen kunnen steeds dertig kunstenaars de Rijksakademie voor maximaal twee jaar binnentreden. Ze hoorden over het instituut via eerdere `deelnemers', zoals de kunstenaars op de academie heten, via internet, een galeriehouder of via reizende, Nederlandse kunstenaars die continenten verderop talenten ontdekken met een interesse in het westers cultureel erfgoed.

,,Aan kunstenaars die in Afrika of Azië sterk in hun eigen traditie zijn geworteld, kunnen wij niets bijdragen. Daar moet je vanaf blijven'', zegt algemeen directeur Janwillem Schrofer (sinds 1985). Hij transformeerde het ingedutte instituut in de jaren tachtig tot de huidige werkplaatsachtige leerschool voor jonge, verder gevorderden.

De waan van de dag, die zich overal, dus ook in de beeldende kunsten heftig manifesteert, wordt gerelativeerd door de bijna 130 jaar lange geschiedenis van de Rijksakademie, door haar bibliotheek van 25.000 kunsthistorische banden en door een bezit van 6.000 prenten en tekeningen, de oogst van oud-leerlingen en inzendingen voor de Prix de Rome die hier jaarlijks wordt georganiseerd. Vreemdgenoeg heeft zich nog nooit een werkeloze kunsthistoricus gebogen over deze lange tijd verwaarloosde kunst- en brievenverzameling. De zaal met skeletten - van mensen tot stieren - en het depot met 19de-eeuwse gipsmodellen - van heiligen tot atleten - pleit niet voor stringente handhaving van klassieke disciplines, maar wijst ze evenmin af.

Na een uitgebreid toelatings-interview over onder meer bestaand werk, interesses en nieuwe werkplannen door een internationaal team van acht tot tien `professionals' uit alle windstreken, trekken de kunstenaars zich hier als een kloosterling terug in een van de zestig sobere ateliers. Bij twijfel of stagnatie in hun werk, kunnen ze een van die circa veertig `begeleiders' raadplegen die voor maximaal vijf jaar aan het instituut zijn verbonden. Op het moment zijn dat onder anderen Dennis Adams, Ansuya Blom, Matt Mullican, Michelangelo Pistoletto, Luc Tuymans en Roy Villevoye.

Juist die gesprekken met `begeleiders' en `collegadeelnemers' blijkt in het huidige, nomadische kunstklimaat het grootste goed te zijn. Zie het als de gerichte confrontatie en feedback die men op universiteiten krijgt bij het schrijven van een proefschrift, aldus de directie van de Rijksakademie. Waar anders dan hier kun je beslag leggen op de tijd van een `professional' om over je eigen werk te praten, zegt menig kunstenaar. De Amsterdamse geluidskunstenaar Matthijs de Bruijne (32), ex-Rietveld Academie, merkt hoe dankzij zijn buitenlandse collega's zijn blik op Nederland, op de Europese cultuur, verruimd is. ,,Hier is het kunstenaarschap vanzelfsprekend, aan de andere kant van de wereld moet je ervoor vechten.'' En evenals Schrofer valt hem op over hoeveel meer kunsthistorische kennis en filosofische ondergrond zijn buitenlandse collega's beschikken.

,,Nee, uit Amerika krijgen we nauwelijks inschrijvingen'', vertelt Schrofer, van huis uit organisatiesocioloog. ,,De faciliteiten op universiteiten daar zijn voorbeeldig.'' Veel tijd moet hij investeren in het vinden van 1,2 miljoen aan sponsorgelden, nodig voor onder meer huisvesting van de kunstenaars en hun jaarlijkse atelierpresentaties in het eigen gebouw. Een grauwe, 19de-eeuwse rechthoek, waarvan architect Koen van Velzen in 1992 de binnenplaats diagonaal doorsneed met loopbruggen en onderkomens van glas en beton. De tentoonstellingen trekken meestal zo'n vijfduizend bezoekers èn flink wat jagende galeriehouders.

Over de veelgehoorde kritiek dat het Rijksakademie-netwerk borg staat voor een ferme opstap naar het internationale, commerciële galeriecircuit, is Schrofer kort. ,,Dit instituut is ermee verbonden, maar niet gebonden. De academie in Düsseldorf is kapot gegaan aan de nauwe betrekkingen met de plaatselijke galeries. Die bepaalden daar dat hun eigen kunstenaars als docenten werden aangesteld. Daar kijken we wel voor uit.''

De Rijksakademie zorgt voor materiële zorgeloosheid, zegt Schrofer, voor een soort rugdekking. De duizelingwekkende staalkaart van technische mogelijkheden dwingt nieuwkomers tot het maken van keuzes. ,,Concentratie, kritische reflectie en onafhankelijkheid'': daar draait het om. Tòch gaat het jaarlijks bij een of twee kunstenaars mis. Zij ontlopen contacten met medeparticipanten en begeleiders, stralen door langdurige afwezigheid en niets in hun werk duidt op nieuwe inzichten. Sluwerds, die het instituut als gratis atelier gebruiken.

Wat betekent de ophanden zijnde verzelfstandiging van de Rijksakademie (per 1 november), dat zich met zijn jaarlijkse budget van zes miljoen gulden en 32 administratieve en technische werknemers graag profileert als een `multicultural, interdisciplinair center of excellence'? ,,Weinig'', zegt Schrofer, ,,we zijn sinds '85 al grotendeels zelfstandig. Er komt alleen een raad van toezicht. Een goede zaak: als een directeur geen controle heeft, moet hij zorgen dat hij die krijgt.''

De kunstenaars uit Egypte en Ecuador, uit Wit-Rusland en Angola zullen er niets van merken. En zij die hier straks afscheid nemen, weten dondersgoed dat ze het weer alleen op hun atelier uit moeten zoeken. Dat deden ze vóór hun komst ook al. Toch zal het ontwennen van de Nederlandse verwennerij zwaar zijn, voorspellen sommigen.

Het blijft een mooie gedachte dat een Malinese oud-deelnemer in zijn vaderland inmiddels een eigen soort academie heeft opgericht. Ook de Argentijn Larrambebere wil straks, terug in Buenos Aires, een tegenwicht bieden aan `de rotzooi' die daar in het beeldende-kunstvakonderwijs heerst. De politiek-kritische Indonesiër Darmawan reist ook liever terug dan dat hij in het voor hem ongekend geïndividualiseerde Nederland blijft. De Belg David Neirings, een beroemde dj in Vlaanderen, is voorlopig nog niet klaar met de productie van zijn reusachtige creditcards, vormgegeven met messcherpe kleurlijnen op witglanzende kunststof. Symbolisch, zegt hij, voor de Westerne snelheid, stress en consumptiedrang. Alleen de Braziliaanse schilder Marco Rolla, die – geïnspireerd door de academische karkassenvoorraad – uit gebroken ready-mades van barokke keramiek steeds een skelet laat opduiken, wil voor de contacten hier graag nog even doorwerken.

Dat de zo gewaardeerde gedachtewisselingen van de deelnemers ook tot concrete resultaten kunnen leiden, laten de Française Delphine Bedel (35) en de Belg Hans OpdeBeeck (30) zien. Ze ontdekten bij toeval dat ze met hetzelfde videothema bezig waren: Entertainment. Hun projecties gaan ze combineren: de opname van een turborit in een ziekmakende achtbaan en een stil observeren van een oud echtpaar dat zich in een restaurant met een kop koffie en een oorverdovend zwijgen door de tijd sleept. Een toepasselijke illustratie van de sterk uiteenlopende kunstenaarslevens op de Rijksakademie. De buitenstaander kan zich alleen maar aan dit Barbados van de beeldende kunst vergapen.