Na Peper kwam omslag in declaratiecultuur

Bij de gemeente Rotterdam is een aantal onderzoeken gaande naar incorrect of mogelijk frauduleus gedrag door hogere ambtenaren.

Klachten bij het Bureau Integer Handelen van de gemeente Rotterdam vormen de aanleiding voor een onderzoek dat is ingesteld naar mogelijk frauduleus handelen door ambtenaren. Eerder dit jaar zijn drie ambtenaren op het stadhuis geschorst en overgeplaatst wegens sjoemelen met overwerk, drank en sigaretten: het hoofd faciliteiten, het hoofd van de beveiligingsdienst en het hoofd van de stadhuiskeuken. Het drietal werd verantwoordelijk gehouden voor het langdurige gesjoemel.

Hoge ambtenaren zullen in het geval van ernstige feiten op dezelfde manier worden aangepakt, verzekert gemeentesecretaris Nico van Eck, die ,,buitengewoon gepikeerd'' is dat ,,de indruk wordt gewekt dat lage mannetjes worden gestraft en hoge ambtenaren vrijuit gaan''.

Behalve naar misdragingen van ambtenaren is op het Rotterdamse stadhuis ook een onderzoek gaande naar de `declaratiecultuur' (het woord is van een oud-wethouder) die eind jaren tachtig, begin jaren negentig op het stadhuis zou hebben bestaan toen Bram Peper, de huidige minister van Binnenlandse Zaken, burgemeester was. Daarmee is de gemeenteraadscommissie voor de rekening belast. Dit onderzoek heeft een heel ander karakter dan dat naar misdragingen van ambtenaren op het stadhuis, maar er is een zeker verband: na Pepers vertrek heeft op het stadhuis een cultuuromslag plaatsgevonden. Sinds de jongste fraudezaak worden de regels streng toegepast. ,,Soms wordt het bijna onwerkbaar', zegt Ruud van Middelkoop, de nestor van de gemeenteraad.

Al eens eerder, zeven jaar geleden, was er op het stadhuis sprake van fraude bij de beveiligingsdienst. Na een onderzoek rapporteerde het hoofd van de Stafafdeling Managementondersteuning dat zij geen grove nalatigheden had kunnen vaststellen. Wel was er sprake van normvervaging. Het hoofd van de huishoudelijke organisatie en het hoofd beveiliging zijn toen uit hun functies gezet.

In de periode 1992-1998 zijn er volgens Van Eck ,,never, nooit niet'' meldingen binnengekomen over systematische nalatigheden en fraude zoals in de zaak die begin dit jaar aan het licht kwam. De gemeentelijke accountantsdienst stelde vast dat medewerkers van de bodedienst, de keuken en de beveiliging op het stadhuis, in totaal een kleine zestig ambtenaren, in de periode 1998 tot 1 maart 1999 hadden gesjoemeld met sigaretten en drank voor recepties. Leden van de beveiligingsdienst (zo'n dertig man) declareerden enkele honderden overuren waarop ze geen recht hadden. Nadat dit gesjoemel was vastgesteld, bespraken burgemeester Opstelten, korpschef Lutken van de Rotterdamse politie en hoofdofficier mr. J. de Wit de vraag of aangifte moest worden gedaan en of de rijksrecherche moest worden ingeschakeld. Besloten werd de gemeentelijke accountantsdienst (ACR) eerst in te schakelen. Nadat de ACR zijn onderzoek – over de periode 1998 en de eerste twee maanden van 1999 – had voltooid, werden drie ambtenaren geschorst en overgeplaatst. Op 26 juli liet De Wit per brief weten dat ,,de disciplinaire afdoening afdoende is omdat de strafrechter geen termen zou hebben gevonden om nog een straf op te leggen''.

De ruimhartige cultuur op het stadhuis lijkt te zijn ontstaan tijdens het burgemeesterschap van Peper, over wiens uitgaven en declaratiegedrag, nadat de recente fraude was ontdekt, opnieuw tal van geruchten en oude verhalen de ronde deden. Om hieraan `eens en voor altijd' een einde te maken, besloot de Rotterdamse raadscommissie voor de rekening (COR) onlangs tot een diepgaand onderzoek naar de uitgaven van burgemeester en wethouders in de periode 1986-1999.

Inmiddels is al duidelijk dat het COR-onderzoek snel op bepaalde grenzen zal stuiten. In 1993 was er al eens een golf van publiciteit over de uitgaven van het Rotterdamse college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad liet de zaken zoals ze waren. Bij het aantreden van een nieuw college van B en W in 1994 zijn de huisregels voor declaraties van `bestuurlijke uitgaven' van burgemeester en wethouders aangescherpt. Datzelfde is nog eens gebeurd in 1998, toen vermelding van de functionele aanleiding voor uitgaven verplicht werd gesteld. Voordien mocht een bestuurder de functionaliteit van zijn uitgaven uitsluitend zelf beoordelen. Dat werd beschouwd als een kwestie van vertrouwen. En al die jaren gaf de raad geen kik - Pepers wil was wet.

Nel van de Pol (VVD), die van 1986 tot 1990 wethouder was, gaf onlangs een voorbeeld van Pepers ruime opvattingen over functionaliteit van uitgaven en zijn weigering zich `door ambtenaren te laten controleren'. Van de Pol maakte een dienstreis naar het Japanse Kobe, een zusterstad van Rotterdam en knoopte daar drie dagen vakantie in Hongkong aan vast. De kosten die in Hongkong maakte, bracht ze in mindering als privé-uitgaven. Van de Pol: ,,Een uur nadat ik mijn declaratie had ingediend, moest ik bij Peper komen. Hij liet me alle hoeken van de kamer zien, omdat ik mijn privé-kosten zelf betaalde. Daarmee schiep ik volgens hem een verkeerd precedent.'' Dit incident dateert uit de periode `86-'92, toen Peper in ruime mate alcohol gebruikte, wat regelmatig tot onverkwikkelijk gedrag leidde.

Enkele dagen na Van de Pols verklaring – bevestigd door ex-wethouder Johan Henderson (PvdA) – kreeg de discussie over de Rotterdamse declaratiecultuur het karakter van een soap-opera. Pepers echtgenote Neelie Kroes gaf op TV Rijnmond uitleg: ,,Mijn man riep de wethouder bij zich, omdat hij er zich van wilde overtuigen of die reis naar Kobe wel zo nodig was''. Deze aanval op de integriteit van de wethouder, die uiteraard als de beste verdediging was bedoeld, schoot vele raadsleden in het verkeerde keelgat. De onderste steen moet nu maar eens boven komen, is inmiddels het motto van de gemeenteraad.