Militairen hakketakken over vluchtende Serviërs

Nederlandse KFOR-militairen begeleidden in Kosovo Serviërs die daar probeerden weg te komen. Het werd een bange tocht.

In het centrum van de stad Pec, in het westen van Kosovo, blokkeren achttien brandende auto's de straat. Het zijn Servische auto's en eromheen liggen kleren, boeken, pannen, een kapotgeslagen televisie. De Serviërs, uit Orahovac, hadden geprobeerd om weg te komen uit Kosovo. Ze waren op weg naar Montenegro onder begeleiding van de vluchtelingenorganisatie UNHCR en Nederlandse KFOR-militairen.

Nu zitten ze in het gebouw van de Italiaanse militaire politie in Pec, een paar meter van de brandende wrakken. Ze zijn gewond geraakt, hun laatste spullen zijn ze kwijt, ze huilen.

Op de stoep van het gebouw staat de Nederlandse majoor Koers van de Gele Rijders uit Orahovac. Hij wil erin, maar Italiaanse politiemannen duwen hem terug. ,,Dit zijn mijn mensen', roept majoor Koers, ,,ik ben leider van dit konvooi, ik wil weten of we iemand missen. Ik wil weten hoe het met ze gaat.' De Italianen blijven met vijf man voor de ingang staan.

Naast de majoor staan twee Nederlandse soldaten. Een van hen heeft een rode schram bij zijn oog. Hij werd in zijn gezicht, op zijn rug en aan zijn benen geraakt door stenen van Albanezen toen hij Serviërs uit hun auto's probeerde te halen.

De andere soldaat kan nauwelijks nog staan. Hij had een oude Servische vrouw uit een Yugo getrokken, hij wilde haar naar de Italianen brengen, maar achter hem duwden Albanese jongens de soldaat en de vrouw de auto in. De Nederlander verdraaide zijn knie, maar hij redde uiteindelijk de Servische vrouw en zichzelf door hard terug te duwen en weg te rennen met de vrouw op zijn rug. De soldaten willen graag even zitten, maar ook zij komen het gebouw niet in.

De Italiaanse commandant Bergamo staat ook op de stoep. Hij kijkt langs de Nederlanders naar de menigte Albanezen rond het politiebureau. De Albanezen steken vuurwerk af, ze schreeuwen. Met wapenstok en schild worden ze tegengehouden door zijn mannen. De commandant is woedend: pas die ochtend hoorden de Italianen, die verantwoordelijk zijn voor het westelijke deel van Kosovo, dat er rond lunchtijd een konvooi Servische vluchtelingen door de buitenwijken van Pec zou rijden, naar de grens met Montenegro. Door de buitenwijken, maar nu staat de belangrijkste doorgangsroute in het centrum van de stad in brand. Omdat de Nederlanders de weg kwijt raakten. En nog een grote mond ook, over ,,hun Serviërs'.

De Nederlanders, heeft hij tegen zijn mannen gezegd, komen er niet in. ,,Wij zorgen nu voor deze mensen.'

In een konvooi van vier bussen en eenentwintig auto's waren de Serviërs woensdagochtend uit Orahovac vertrokken. Voor vertrek hadden de Nederlanders onderling weddenschappen afgesloten over welke auto onderweg het eerst kapot zou gaan, de auto's vielen bijna uit elkaar van ouderdom. In Pec, zo'n zestig kilometer van Orahovac, hield de motor van een van de auto's ermee op.

De majoor gaf een van de Nederlandse KFOR-voertuigen opdracht bij de kapotte auto te blijven, de rest moest doorrijden, achter de jeeps van UNHCR aan. Er mocht vooral geen gat in het konvooi ontstaan.

Maar dat gebeurde toch, de Serviërs die halverwege het konvooi reden, wisten niet meer welke kant ze op moesten. In Pec sloegen ze links- in plaats van rechtsaf, ze kwamen uit in het drukke centrum van de stad. De Nederlanders die het konvooi afsloten, reden erachter aan – ook zij kenden de weg naar de grens niet.

De volgepakte auto's vielen op. ,,Serviërs', riep Veli Lajqi, een Albanese eigenaar van een café in Pec. Met zijn vrienden pakte hij stukken hout, papier, benzine en aanstekers. Een paar minuten later vluchtten de Serviërs hun auto's uit.

Woensdag aan het begin van de avond staan de Nederlanders en vertegenwoordigers van de UNHCR nog steeds op de stoep van het politiebureau. Over de radio worden namen doorgegeven van Serviërs die de grens wél bereikt hebben. Ze mogen nu soms naar binnen lopen om de vluchtelingen te tellen.

Pas na twee uur weten ze dat niemand van de Serviërs wordt vermist. De Nederlandse majoor lacht tevreden. Maar tussen hem en de Italianen komt het niet meer goed. Ze hadden te hulp moeten schieten, vindt hij, toen de Nederlandse militairen de Serviërs uit hun auto's trokken. Maar ze bleven van een afstand staan kijken naar de paniek, terwijl ze foto's maakten voor thuis.