Mijn maat werkt 15 km verder

Breed strekt de vallei zich uit in de morgenzon. Geen huizen, geen zijwegen. Af en toe hoor je van hoog op de helling het geklingel van een koebel of het geblaat van een schaap. Een verstild niemandsland van stug gras, struiken, rotsblokken en een asfaltweg die zich met lome bochten langs de glooiende hellingen slingert. Volgens de kaart is hij 20,5 kilometer lang. Ik haal een paar keer diep adem en begin te lopen.

Na een uur hoor ik de derde auto komen, en zowaar, hij stopt. De man kijkt eerst eens goed over zijn zonnebril, maar ik mag mee. Alberto, zo heet hij. Hij heeft een door zon en wind gelooid gezicht, ruwe handen en een opvallend zachte stem. Kalm stuurt hij de Espace door de bochten, voortdurend om zich heen turend of alles in orde is. Want dit is zijn weg.

Alberto werkt voor de regio Abruzzen en heeft de verantwoordelijkheid gekregen voor dit stuk asfalt. Soms wordt hij ergens anders ingezet. 's Winters als er sneeuw ligt bijvoorbeeld, dan blijft deze weg dicht en moet hij meehelpen drukkere wegen sneeuwvrij te maken. Maar in de zomer moet hij op deze weg passen. Zorgen dat de afvoergoten voor het regenwater niet verstopt raken. Af en toe een verloren schaap terugbrengen. Gaten in het asfalt melden. Eenzaam? Zeker. Maar hij heeft een maat, die werkt vijftien kilometer verderop. En af en toe komt hij een herder tegen. Hij vindt dat hij in een regio als de Abruzzen blij mag zijn dat hij werk heeft – de auto is van de zaak, natuurlijk.

Maar deze weken is het zwaar. De verkeerswet is gewijzigd, en de gele strepen langs de kant van de weg moeten wit worden. Een bedrijfje komt ze binnenkort verven. Maar eerst moet het onkruid langs de kant van de weg worden weggehaald. Met de hand. Zijn er dan geen machines? Ach, zegt Alberto. Die zijn elders nodig, bij belangrijker wegen. Of ze zijn stuk. Daarom moet hij dit allemaal met de hand doen. Alleen al het vertellen hierover doet hem zuchten.

Daarom praat hij liever over de vallei, zijn vallei. Hier en daar zie je magere koeien lopen. Die zijn het hele jaar door buiten, ook 's winters. Dan zakken ze af naar beneden om enige beschutting te zoeken tussen de bomen op het diepste punt van de vallei. Die eigenaars zijn schoften, zegt Alberto. Ze laten die beesten bijna verhongeren, in de hoop dat er in het voorjaar een paar kalveren bij komen. Zo hoeven ze niets te investeren, en kunnen ze als het goed gaat toch een paar kalveren verkopen.

We komen langs de gebutste wagen van een herder. Op de helling lopen een paar paarden. Voor het vlees, vertelt Alberto. Het wordt veel gegeten in het gebied. Bovendien, zegt hij, is er vraag naar paardenvlees van mensen die ziek zijn geweest en willen aansterken. Alberto zelf houdt wel van paardenbiefstuk. Maar dan moet er flink wat citroen over, anders is het te zoet.

Met een breed gebaar wijst hij naar het stugge gras op de hellingen. Vroeger werd hier nog graan verbouwd, en gerst. Nu loont dat niet meer. De natuur is weer de baas en het landschap is ruiger geworden. Alberto is bang dat dit op veel plaatsen gaat gebeuren. Op het vlakke land kan je veel economischer werken, zegt hij, maar betekent dit dat de bergen aan hun lot moeten worden overgelaten?

Kleine hoopjes onkruid langs de weg kondigen zijn collega aan. Die recht de rug, wist het zweet van zijn gezicht en stapt bij ons in. Alberto brengt me de laatste kilometers naar de bar waar ik mijn auto had geparkeerd. We drinken nog even koffie. Het meisje achter de bar kent ze, want ze komen iedere dag even een praatje maken. Vijf minuten duurt deze koffiepauze. Dan stappen ze weer de auto in. Terug naar de eenzame strijd tegen het onkruid.