Liever geen open debat over toekomst van EU

Het Europees federalisme is niet dood; het leeft. Alleen wordt het niet meer hardop gezegd, zo blijkt uit het recente rapport van de drie wijzen over een andere opzet van de EU.

Hoe moet het verder met de Europese Unie? Een goede vraag, maar je kunt hem beter niet hardop beantwoorden, vertelde onlangs in klein gezelschap de Belgische ex-premier Jean-Luc Dehaene. In een rapport dat hij samen met twee andere `wijzen' (Richard von Weiszäcker en Lord Simon) schreef over hervormingen van de EU, en dat gisteren bijval kreeg in het Europees Parlement, ontbreekt het antwoord dan ook.

Zelf durfde Dehaene in kleine kring er best voor uit te komen dat hij voorstander is van een federaal Europa met een Europese grondwet, maar met behoud van veel regionale bevoegdheden - ongeveer het Duitse bondsmodel. Zo'n gedachte jaagt echter eurosceptici zoals de Britse conservatieven in de gordijnen. Transparantie, zo'n hooggeprezen ideaal als het om Europees bestuur gaat, komt kennelijk niet zo goed uit als het over de bedoelingen gaat.

Dehaene houdt van ,,een pragmatische benadering''. ,,Ik geloof niet in een theologisch debat. Als we wachten op beantwoording van de vraag waar het met de EU heen moet, ben ik bang dat we niet vooruit komen''.

Toch zullen regeringen straks moeilijk onder debatten over de Europese toekomst uit kunnen. In alle EU-hoofdsteden wordt op het ogenblik druk overlegd over het standpunt dat de regeringsleiders op de Europese top in december in Helsinki moeten innemen over veranderingen in het Verdrag van de EU. Het Nederlandse kabinet heeft de Tweede Kamer beloofd daarover begin november met een nota te komen. Een moeilijke taak, want het kabinet zal daarin argumenten moeten aanvoeren waarom het akkoord gaat met minder Nederlandse macht binnen de EU.

Als de Unie namelijk besluit tot een nieuwe regeling van het stemgewicht van de lidstaten, zal de omvang van de bevolking waarschijnlijk een belangrijke factor zijn. Dat betekent dat in een uitgebreide EU Polen meer gewicht in de schaal zal leggen dan Nederland, lidstaat van het eerste uur.

Dehaene mag dan om pragmatische redenen zwijgen over het federalisme, zijn rapport stimuleert dus wel degelijk de discussie onder regeringen van de EU-lidstaten over de vraag waar het met de EU heen moet. Daartoe draagt overigens ook de ongerustheid bij over de geringe belangstelling, afgelopen zomer, voor de verkiezing van het Europees Parlement. Sinds de Europese verkiezingen klinkt aan alle kanten in Brussel de roep om de Europese burgers meer ,,duidelijkheid'' en ,,doorzichtigheid'' te bieden. Voorzitter Romano Prodi van de Europese Commissie heeft hiervan zelfs een hoofdthema gemaakt.

Het rapport van Dehaene gaat over de hervormingen die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de EU onbestuurbaar wordt als zij uitbreidt van de huidige 15 lidstaten tot 25 of zelfs 30 lidstaten. De uitbreiding noopt tot moeilijke keuzes voor de lidstaten. Daarbij gaat het om zaken als uitbreiding van het aantal zaken waarover binnen de EU met een gekwalificeerde meerderheid besluiten genomen kunnen worden, een mogelijke beperking van de omvang van de Europese Commissie en een wijziging van het stemgewicht van de EU-lidstaten. Het zijn allemaal kwesties die zeer gevoelig liggen omdat ze de machtspositie van de lidstaten binnen de EU raken.

Sommige regeringsleiders willen dat nog een onderwerp op de agenda komt: de mogelijkheid dat een groep landen verder integreert dan het geheel van de EU. De huidige EU-lidstaten willen de mogelijkheid hebben om in een eigen tempo door te gaan en niet afhankelijk te zijn van vertragingen die nieuwe Oost-Europese lidstaten kunnen veroorzaken. Ze willen de mogelijkheid van verschillende Europa's onder een EU-paraplu scheppen.

In alle EU-hoofdsteden moet de vraag beantwoord worden wat bij invoering van dit soort `flexibiliteit' de toekomst is van de gemeenschappelijke wet- en regelgeving van de EU, het zogenaamde `acquis communautaire'. De Duitse CDU-Europarlementariër Elmar Brok waarschuwt voor een lappendeken van wetgevingen als groepen EU-lidstaten op een gebied als buitenlands- en veiligheidsbeleid of op fiscaal terrein verder integreren dan het geheel van de EU. Volgens Dehaene moet `flexibiliteit' zodanig geregeld worden, dat vroeg of laat alle lidstaten zich bij de nauwere samenwerking aansluiten. Zijn vrees is dat anders groepen lidstaten buiten de EU om samenwerkingsverdragen gaan sluiten. Dat gebeurde al eerder op het gebied van justitie met het Verdrag van Schengen, dat pas bij de top van Amsterdam bij het Verdrag van de EU is gevoegd.

Hoewel het debat binnen de Europese Commissie nog maar amper begonnen is, heeft Commissievoorzitter Prodi al veel sympathie voor het rapport-Dehaene laten blijken. Niet al zijn collega's binnen de Commissie zullen hem daarin volgen. Binnen de Commissie bestaat namelijk de behoefte om de door Dehaene vermeden vraag over de toekomst van de EU toch te beantwoorden. Kan de EU voortgaan zich met steeds meer zaken te bemoeien? Met de mond wordt beleden dat zoveel mogelijk zaken dicht bij de burger in de lidstaten besloten moet worden. Maar in de praktijk probeert voorzitter Prodi een nieuwe bevoegdheid als de controle van de voedselveiligheid naar Brussel te halen. Hoe zullen burgers van nieuwe lidstaten, waarvan enkelen sinds kort zelfstandigheid kennen, reageren als de EU diezelfde zelfstandigheid uitholt met gekwalificeerde meerderheden?

De kandidaat-lidstaten zelf kunnen niet meepraten over de institutionele hervormingen van de EU. ,,Ze zijn nog aan het leren wat de EU is'', vindt Dehaene. Maar de Europese Commissie zelf is eigenlijk ook nog nauwelijks aan het onderwerp toegekomen. Vorige week was er tijdens het eerste debat binnen de Europese Commissie over het rapport-Dehaene gemiddeld zeveneneenhalve minuut spreektijd per Eurocommissaris. Volgende week woensdag gaat de discussie verder.