Kosovo mag geen oord van geweld blijven

Slachtoffers die daders worden: het is niet onnatuurlijk maar in Kosovo moet die trend een halt worden toegeroepen want hij staat de ontwikkeling naar een veilige en democratische samenleving in de weg, meent Bernard Kouchner.

De VN staan in Kosovo voor de ondankbare taak het slachtoffer te revalideren en tegelijk te voorkomen dat het slachtoffer zelf onderdrukker wordt.

De Albanese meerderheid in Kosovo heeft tien jaar gezucht onder de wrede heerschappij van Miloševic. Thans steekt een sinistere herinnering aan die onderdrukking de kop op: de achtergebleven minderheden, vooral de Serviërs, blijken het slachtoffer te worden van de meest verregaande discriminatie en vergelding, tot zelfs moord toe.

Deze reactie bij sommige Albanezen wordt gedicteerd door de menselijke natuur: wraak is nu eenmaal een probaat middel tegen het vergif waarmee deze geteisterde provincie is besmet.

Een zorgwekkende ontwikkeling is het ontstaan van minderheids-enclaves, niet alleen voor Serviërs maar ook voor Roma, Bosniërs, Montenegrijnen en anderen. Zij die geen bescherming binnen deze enclaves vinden en geïsoleerd achterblijven in hun gebarricadeerde woningen, verketterd door hun buren en levend van humanitaire hulp, zijn er nog erger aan toe.

Sinds de komst van NAVO-troepen en de vestiging van de Interim-Bestuursmissie van de VN (UNMIK) in juni maakt de internationale gemeenschap zich ernstige zorgen over de bescherming van minderheden, met name de Serviërs.

Het aantal geweldplegingen tegen minderheden slinkt, en ook het aantal Serviërs dat de regio ontvlucht, neemt af - naar schatting 90.000 van de vroegere 180.000 Serviërs zijn in Kosovo gebleven. Ook zijn er hoopgevende tekenen dat leden van minderheidsgroepen naar huis beginnen terug te keren.

De gezinnen van de drie Serviërs die op 28 september, een week na de demilitarisering, bij een aanslag met een handgranaat op een markt in Kosovo omkwamen, zeggen zulke cijfers natuurlijk niets.

En wie kan de moord op een Bulgaarse VN-medewerker in de hoofdstraat van Pristina, op 11 oktober, verklaren, die door Albanese jongeren in elkaar is geslagen, kennelijk omdat hij Servisch sprak?

De internationale gemeenschap investeert een grote hoeveelheid geld en middelen om Kosovo weer gezond te maken en om te vormen tot een democratische, multi-etnische samenleving gebaseerd op recht en gelijkheid voor allen. Dit doel zal echter nooit worden bereikt als de huidige vijandschap en gewelddadige confrontaties voortduren.

Tot dusver zijn de resultaten rampzalig - een groot aantal moorden uit etnische motieven; verwoesting van heiligdommen, culturele monumenten en huizen; beperkingen aan de bewegingsvrijheid van minderheidsgroepen; en een gigantische exodus, vooral van Serviërs en Roma.

De internationale gemeenschap heeft de bescherming van minderheden weliswaar een hoge prioriteit toegekend, toch berust de verantwoordelijkheid hiervoor in laatste instantie bij de regionale leiders en de gemeenschappen die zij vertegenwoordigen. De taak is aan hen - aan hen en ons samen - te streven naar verandering in het gedrag van de agressieve elementen door te werken aan hun houding tegenover elkaar en ten aanzien van hun eigen toekomst.

Voor een zodanige verzoening is nodig dat de bevolking van Kosovo nieuwe hoop wordt geboden, een hoop gevoed door een gedegen economische en politieke wederopbouw. Dat is een langdurig, traag proces, dat we echter zullen moeten volbrengen wil er ooit een stabiele veiligheid op de Balkan ontstaan.

We hebben wellicht niet de mankracht en de middelen om iedere individuele Kosovaar te beschermen, elk gezin, iedere woning en iedere winkel. Maar het vaste streven moet zijn de vicieuze cirkel van geweld te doorbreken. Dat is zeker geen snel proces. Elke week worden nog nieuwe massagraven ontdekt.

Het interim-bestuur doet zijn best de veiligheid te vergroten. Daarna kan worden gewerkt aan een duurzame coëxistentie, ondersteund door maatregelen om het vertrouwen van de burgers te vergroten, zoals het scheppen van werkgelegenheid, de ontwikkeling van onderwijs en economie en humanitaire bijstand.

De derde stap, verzoening, ligt nog in een ver verschiet. Pas wanneer dat stadium is bereikt komt de laatste fase in zicht: de terugkeer van Serviërs en andere minderheden naar hun vroegere woonplaats.

Ik heb er vertrouwen in dat we kunnen slagen. In Cambodja en Libanon heeft het na jaren van burgeroorlog twaalf tot vijftien jaar geduurd voordat een dergelijk succes was bereikt.

De leiders van alle gemeenschappen en politieke partijen in Kosovo spreken openlijk hun steun uit voor een democratische, multi-etnische samenleving. De ervaring leert dat verwezenlijking van dat toekomstbeeld mogelijk is. Maar de VN-missie in Kosovo zal veel meer vergen dan we allemaal hadden gedacht - meer tijd, meer volharding en meer steun vanuit de wereldgemeenschap. Het wordt een koude winter in Kosovo.

Bernard Kouchner leidt het VN-Interimbestuur in Kosovo.

Dit artikel is een verkorte versie van een bijdrage voor het Los Angeles Times Syndicate.

©Los Angeles Times Syndicate