Jarenlang hopeloos ouderwets

In haar 130-jarige bestaan liep de Rijksakademie vaak achter verouderde

kunststromingen aan.

Het duurde lang voordat de kloof met de buitenwereld werd gedicht.

EEN WATERDICHTE GARANTIE voor succes kan de Rijksakademie van beeldende kunsten de deelnemende kunstenaars nog net niet bieden. Maar het Amsterdamse instituut leverde in het afgelopen decennium wel een indrukwekkende lijst met internationaal geslaagde kunstenaars af, onder wie Marijke van Warmerdam, Bjarne Melgaard, Georgina Starr en Liza May Post. Het ateliercomplex is een kweekvijver voor jong talent, waar museumdirecteuren en galeriehouders maar al te graag in hengelen. Met als resultaat dat kunstenaars soms al tijdens hun werkverblijf tentoonstellingen op vooraanstaande plekken aangeboden krijgen.

Dat de Rijksakademie niet altijd zo hoog aangeschreven stond, blijkt uit een citaat uit De Telegraaf van 1938: ,,De Rijksacademie behoort niet tot de dingen waarover men spreekt en zij leverde sedert vele jaren geen enkel belangrijk talent af.'' In de ogen van veel critici was de Rijksakademie al vanaf haar oprichting bij wet in 1870 een verouderd en conservatief instituut dat constant achter de feiten aanliep. De nieuwe nationale kunstacademie moest de plaats innemen van de hopeloos ouderwetse Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, die tot haar sluiting in 1870 de historieschilderkunst hoog in het vaandel had staan. Maar al snel bleek dat de Rijksakademie in dezelfde fouten als haar voorgangster verviel. Meermalen in haar honderddertigjarige geschiedenis werd de kunstacademie in haar voortbestaan bedreigd, omdat ieder raakvlak met de actualiteit verloren leek te zijn.

Nadat kunstwereld en politiek ruim twintig jaar lang hadden gediscussieerd over het inhoudelijke beleid en het onzekere lot van de Rijksakademie, werd in 1985 besloten de opleiding niet op te heffen, maar te veranderen in een Instituut voor Praktijkstudie en de klaslokalen te verbouwen tot individuele ateliers. Die ingrijpende reorganisatie is zonder twijfel de sleutel geweest voor het huidige succes. Ironisch is het wel dat al in 1868 de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, C. Fock, opperde een nieuw ateliersysteem op te richten waar oudere kunstenaars de jonge studenten met raad en daad konden bijstaan. Maar zijn progressieve ideeën werden destijds terzijde gelegd en de Rijksakademie begon als een traditionele kunstopleiding. In drie gebouwen op de Stadhouderskade kregen de studenten klassikaal les van hoogleraren en leerden zij hun vak door eindeloos prenten, gipsen beelden en naaktmodellen na te tekenen.

Terwijl in Frankrijk de impressionisten voet aan de grond kregen, werd op de Rijksakademie vooral gekeken naar classicistische schilderkunst. In 1884 voerde directeur August Allebé de Prix de Rome in – een prijs die de winnaar in staat stelde vier jaar lang door Europa te reizen – en bevestigde daarmee dat op de Rijksakademie niet het avant-gardistische Parijs, maar het klassieke Rome als ultiem reisdoel werd beschouwd.

In de eerste helft van de twintigste eeuw groeide de Rijksakademie uit tot een in zichzelf gekeerd bolwerk dat de studenten veilig afschermde van de buitenwereld én van de moderne avant-gardes die overal in Europa floreerden. Terwijl andere academies, zoals het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (de latere Rietveld Academie), zich richtten op vernieuwende kunstbewegingen als het Bauhaus, bleef de Rijksakademie teruggrijpen op het verleden. Tot diep in de jaren zeventig van deze eeuw was het `naar de natuur werken' er de norm.

In de jaren zestig werd de Rijksakademie helemaal links en rechts voorbijgestreefd, toen de oude kunstnijverheidsscholen hun naam in academie veranderden en officiële HBO-instellingen werden. Bovendien werd in 1963 Ateliers 63 opgericht, een werkplaats waar oudere en jongere kunstenaars samenwerkten en waar geen regels of lesroosters golden. Op de Rijksakademie gingen de studenten, gesteund door enkele hoogleraren, vervolgens in staking. Zij weigerden nog langer de colleges toegepaste grafiek te volgen. En toen de directie in 1964 voorstelde om in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam een opleiding tot kunstcriticus en museummedewerker op te zetten, barstte de bom helemaal. In een open brief aan minister Klompé (Cultuur), gepubliceerd in Vrij Nederland, beklaagde een grote groep kunstenaars (onder wie Ad Dekkers, Lucebert, Peter Struycken en Carel Visser) zich over de plannen. Zij spraken zich kritisch uit over de grote kloof die was ontstaan tussen de negentiende-eeuwse opvattingen van de Rijksakademie en de hedendaagse kunstenaarswereld.

In een poging om de kloof met de buitenwereld te dichten, organiseerden de studenten in 1970, geheel tegen de zin van directeur Nico Vroom, voor het eerst een `Open Huis'. Kunstcriticus Cor Blok reageerde daarop in De Groene geschokt op de kwaliteit van het werk van de studenten: ,,Als datgene wat in de gangen en lokalen aan de Stadhouderskade te zien was, werkelijk de beelDende vermogens van deze mensen representeert, zijn ze totaal onvoorbereid op wat hun daarbuiten te wachten staat. Zelfs een bezoek aan het Stedelijk moet een schok voor hen zijn.''

Een groter verschil met de huidige `Open Ateliers' is haast niet denkbaar. Op de jaarlijkse driedaagse manifestatie organiseren de studenten kleine solotentoonstellingen in het eigen atelier en komt de kunstwereld massaal kijken. Van een stoffig instituut is de Rijksakademie veranderd in een goed geoutilleerde werkplaats, waar de kunstenaars de modernste apparatuur tot hun beschikking hebben. Onder begeleiding van vooraanstaande internationale kunstenaars hollen de cursisten niet meer dertig jaar na dato achter kunststromingen aan die allang passé zijn, maar zetten zij zelf de toon met hun videokunst en multimediaproducties.

Alleen de imposante verzameling oude prenten en gipsen afgietsels van beroemde sculpturen die de Rijksakademie nog steeds beheert, herinnert aan de tijd dat het reproduceren van kunsthistorische meesterwerken er het hoogste ideaal was.

GESCHIEDENIS