Elke ooi van Millet een oranje spoeling

`Ik ben een boer, en ik zal een boer blijven.' Geen strijdkreet van een boze mestoverschot-producent – het was het credo van de Franse schilder Jean-François Millet (1814-1875). Artistiek gezien zou hij het tot verfijnd herenboer schoppen, maar als zoon van een Normandische veehouder bleef hij zijn armlastige soortgenoten altijd trouw. Een inferieure klasse, vond `beschaafd' Parijs; halve wilden, te lelijk en te dom om voor de duvel te dansen.

Millets tekeningen, pastels en aquarellen, een tentoonstelling die het Van Gogh Museum in Amsterdam overnam van twee Amerikaanse instituten, laten niets van dat Parijse dédain heel. Millet, `raads- en leidsman in alles, voor de jongere schilders', aldus Vincent van Gogh, portretteerde zijn zaaiers en houthakkers in houtskool en vettig krijt met de kracht en waardigheid van in brons gegoten verzetsstrijders. Zelfs als ze afgepeigerd voortsukkelen of even uitpuffen tussen de tarwe, suggereren ze iets onoverwinnelijks.

Van Gogh bewonderde Millet, hield van diens `eenvoud en trouw aan de natuur', van `de ziel' die hij zijn personages wist mee te geven. De prenten die Van Gogh kopieerde moesten Millets werk veel meer toegankelijk maken, vond hij. En dat zou lukken, want Millet werd net zo goed een voorbeeld voor Pissarro, Gauguin, Redon en Seurat. Als de schilder die zich niet alleen blind staarde op het ruisend groen en glooiend geel als academisch hoogstandje, maar die daarin de zwoegende, `gewone' mens naar voren schoof. Hij brak een lans voor de schaapherders, de kuipers, de arenleesters, en die sociaal-politieke stellingname kwam hem aanvankelijk duur te staan. Alleen kleine verzamelaars kochten wel eens wat van hem.

Al jong bleek de zwijgzame Millet goed te kunnen tekenen. In plaats van hun oudste zoon aan de boerderij te binden, stuurden zijn ouders hem naar leraren in Cherbourg en later naar Parijs, naar de Académie des Beaux Arts. Hij kreeg er twee jaar les van Paul Delaroche, een populaire schilder van historische doeken waarop boeren zelden helden zijn. Hoewel die leertijd later onuitwisbaar bleek, keerde de vaak bespotte Millet uit teleurstelling Parijs de rug toe. Hij vertrok liever naar Le Havre om er met portretten zijn geld te verdienen.

Het portret van zijn maÎtresse, en latere vrouw Catherine Lemaire, waarmee de tentoonstelling begint, is al meteen een proeve van zijn kunnen. Een ingetogen gezicht met neergeslagen ogen, omringd door een stugge haardos, waarvan het kolenzwart hier en daar met wit is opgelicht. Het olieachtige krijt laat donzige vlakken en lijnen toe, die Millet ook in verf moet hebben nagestreefd. Door contouren te verzachten integreren zijn personages beter in hun omgeving, zoiets moet Millet voor ogen hebben gestaan.

Le Havre was van korte duur, liever naar Barbizon – waar collega's als Rousseau, Corot en Daubigny `en plein air' de natuur bezongen – dan terug naar de verpauperde en door cholera geteisterde armoewijken van Parijs. Inmiddels vader van drie kinderen – hij zou er negen krijgen – kon Millet in de bossen en velden van Fontainebleau solidair zijn met hen die in weer en wind hun brood verdienden - op pad met hun bezit, een schamele koe of wat schapen. Voor hun lijfelijkheid, hun natuurlijke `werkhoudingen' wist hij keer op keer met zijn houtskool-staafje raak en innemend, want zonder pathos, te registreren.

Een paar van die schapenkudden zijn in het museum als voorstudies gegroupeerd rond de definitieve schilderijen, kostbare Amerikaanse bruiklenen. En dan valt meteen ook op hoe knap Millet met zwart krijt en vleugen pastel schemeringen en wolkensoorten in zijn gelaagde streepjestechniek tot een atmosferisch summum kon opvoeren. Een ondergaande zon gaf elke ooi een zachtoranje-spoeling. Menig collega had het al tegen hem gezegd: je tekent beter dan je schildert.

Binnenshuis moet Millet vaak naar vrouw en kroost hebben gekeken. Hoe Catherine met de vaat sjouwde, hoe ze breiles gaf aan een van zijn zes dochters, en hoe de kinderkleren versteld moesten worden. De mens van Millet zat nooit stil. Voorstellingen als deze mochten weliswaar niet beantwoorden aan het klassieke genretafereel, vond Millet, maar eenmaal nauwkeurig in grijsgradaties neergezet, doen ze dat tòch. Want zoals Millet niet aan zijn boerenafkomst kòn of wilde ontsnappen, zo bleef hij ook het academisch tekenen trouw dat er in Parijs was ingestampt.

Tot zijn dood toe maakte hij in Barbizon `rustieke kunst', zoals hij het noemde: snelle schetsen ter plekke, uitgewerkte tekeningen in zijn atelier en mooi afgewogen schilderijen, waarin de warme gloed van de zonsondergang het zware werk van wasvrouwen en boerinnen niet lichter maakt. Gelukkig zou uiteindelijk de waardering voor zijn werk niet uitblijven. Hij kreeg een hoge onderscheiding, en zelfs een staatsopdracht om het Panthéon te decoreren. Een karwei dat om gezondheidsredenen in een schetsfase bleef steken.

De eeuwwisseling mag dan straks alle klassieke beeldende kunst meteen een eeuw ouder, en dus ook veel duurder maken, zoals de internationale kunsthandel (hoopvol) voorspelt, Millets werk, hoe vernieuwend ook als versluierd `sociaal-realisme', lijkt nu al veel verder weg te liggen dan anderhalve eeuw geleden. Daar zijn gedeeltelijk de latere, maar thematisch sterk gelijkende bladen van Van Gogh debet aan. Want zo bont en beweeglijk, zo hortend en stotend als Van Gogh durfde te zijn in kleur èn lijn èn compositie, zo statisch en traditioneel soms zijn de bladen van Millet. En dat wilde Millet ook: werken in de traditie van zijn idolen Michelangelo en Poussin en zeer stijlvol hen vereeuwigen die het aan stijl zou hebben ontbroken.

Tentoonstelling: Jean-François Millet, tekeningen. T/m 9/1/00

in Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam.

Open: alle dagen 10-18 uur, behalve Nieuwjaarsdag. Catalogus: fl. 75,-.