Armenië verliest sleutelfiguren

Welke motieven de daders van het bloedbad in het parlement van Armenië hadden weet nog niemand. Wel zijn de gevolgen van de actie duidelijk: Armenië verloor twee sleutelfiguren die garant stonden voor de stabiliteit.

De bloedige actie lijkt het karakter van een afrekening te hebben. Een journaliste die het drama bijwoonde, zei dat de daders het duidelijk gemunt hadden op premier Sarkisian en de dood van de anderen op de koop toe namen. Hun leider bestempelde Sarkisian als een `bloedzuiger' voordat hij zijn machinegeweer op de 40-jarige premier leegschoot. Later werd gemeld dat de man, ex-journalist Nairi Oenanian, lid is geweest van de nationalistische partij Dasjnaktsoetioen (Federatie), die onder de vorige president, Levon Ter-Petrosian, verboden werd maar die onder de huidige president Robert Kotsjarian weer is toegelaten.

Die informatie leidde gisteren tot speculaties dat de overvallers werden gemotiveerd door de jongste ontwikkelingen in de kwestie Nagorny Karabach, de door Armeniërs bevolkte enclave in Azerbajdzjan. Om dat gebied woedde van 1988 tot 1994 een bloedige oorlog. Sindsdien is vijf jaar lang vergeefs getracht een oplossing te vinden. Die oplossing, zo bleek de afgelopen dagen, staat eindelijk voor de deur. Het is de bedoeling volgende maand een akkoord te tekenen waarin Azerbajdzjan afziet van het recht Nagorny Karabach te regeren als het gebied formeel tot het grondgebied van Azerbajdzjan zou blijven behoren.

Dit compromis heeft in Azerbajdzjan al geleid tot een serieuze crisis: president Haydar Aliyev raakte op slag zijn twee belangrijkste adviseurs en zijn minister van Buitenlandse Zaken kwijt. Ze wensen niet in verband te worden gebracht met een akkoord dat Baku de facto berooft van zijn zeggenschap over Karabach.

Maar ook in Armenië zet dit aanstaande akkoord kwaad bloed, want de Karabachi zouden hun eenzijdig uitgeroepen republiek moeten opdoeken en zich moeten schikken in het feit dat de enclave formeel deel blijft uitmaken van Azerbajdzjan, ook al krijgen ze er volledig zelfbestuur. Voor extreem-nationalisten in Armenië komt dat neer op verraad van de zaak van de Karabach-Armeniërs.

Toch zou het vreemd zijn als overvaller Oenanian en de zijnen door dit compromis tot hun actie zijn gebracht. Premier Sarkisian ontleent zijn semi-heldenstatus in Armenië vooral aan zijn acties voor Karabach. De voormalige sportleraar, voetballer, journalist, schrijver en dichter was al in 1988, in Sovjet-tijden, lid van het Karabach Comité. Dat is het onofficiële orgaan dat zich ontfermde over de zaak van de Armeniërs in het buurland en dat daarmee de onafhankelijkheidsstrijd in Karabach èn Armenië kanaliseerde. Hij vocht zelf in 1990 in Karabach als chef van een vrijwilligersbataljon en werd zelfs commandant van alle Armeense vrijwilligers in Karabach. Later coördineerde hij in Armenië de Armeense bemoeienissen met de oorlog, alvorens onderminister en minister van Defensie te worden. Nog later leidde Sarkisian de Jerkrapa, de machtige organisatie van oud-strijders in Karabach. Begin vorig jaar was het vooral Sarkisian die, met Jerkrapa en zijn Republikeinse Partij, president Levon Ter-Petrosian ten val bracht wegens diens voornemen concessies te doen in de kwestie-Karabach. Dat hij gisteren dood moest wegens de kwestie-Karabach is, gezien dat verleden, dus onwaarschijnlijk.

Wel kunnen andere motieven een rol hebben gespeeld. Sarkisian was al jaren de sterke man van Armenië. Als minister van Defensie bouwde hij zijn ministerie begin jaren negentig uit tot een uitermate machtige organisatie, het ministerie met het meeste geld, het meeste personeel, de meeste programma's en de meeste macht, maar ook met grote economische belangen. Een man waar niemand om heen kon aan het hoofd van een ministerie dat al te vaak in opspraak kwam – wegens schimmige wapendeals, maar ook als `epicentrum van corruptie'. Het leverde Sarkisian talrijke vijanden op. Vorig jaar werd zijn plaatsvervanger vermoord. Begin dit jaar werd de onderminister van Binnenlandse Zaken, tevens plaatsvervangend chef van de geheime dienst, vermoord. In beide gevallen speelde corruptie een rol.

Vorig jaar, na de val van Ter-Petrosian en het aantreden van president Robert Kotsjarian (de voormalige leider van de Karabach-Armeniërs) vormde Sarkisian met zijn Republikeinse Partij een alliantie met de partij van Karen Demirtsjan. Een onverslaanbaar koppel. Demirtsjan was populair: hij leidde de Sovjet-republiek Armenië veertien jaar lang, van 1974 tot 1988, toen het de Armeniërs relatief goed ging. Weliswaar verloor Demirtsjan begin vorig jaar de presidentsverkiezingen van Kotsjarian, maar hij kreeg toch veertig procent van de stemmen, heel wat voor een man die tien jaar lang buiten de politiek was gebleven. Bij de parlementsverkiezingen van deze zomer kregen Sarkisian en Demirtsjan met hun blok Miasnoetioen (Eenheid) veertig procent van de stemmen en 56 van de 131 zetels in het parlement (ter vergelijking: de tweede partij veroverde tien zetels). Kotsjarian had geen keus: hij moest in juni sterke man – en rivaal – Sarkisian premier maken. Demirtsjan werd parlementsvoorzitter.

Hun dood berooft Armenië van de twee leiders die, met de president, de politieke en economische stabiliteit konden garanderen. Het kan grote gevolgen hebben.

Armenië, een land met 3,3 miljoen inwoners, is sinds de onafhankelijkheid van 1991 politiek en economisch door zeer diepe dalen gegaan. De zware aardbeving van 1989, de jarenlange oorlog om Karabach en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie eisten een zware tol. Veertig procent van alle bedrijven maakte in 1991 deel uit van het militair-industrieel complex van de Sovjet-Unie en was ten dode opgeschreven. Het wegvallen van de banden met de andere Sovjet-republieken was een ramp. Armenië was voor negentig procent afhankelijk van import uit Rusland en Centraal-Azië. 85 procent van de im- en export verliep via spoorlijnen met Azerbajdzjan, die niet meer functioneerden door de oorlog. De grenzen met Azerbajdzjan en Turkije gingen dicht en zijn tot de dag van vandaag dicht gebleven. Armenië heeft geen haven en was aangewezen op transit door het jarenlang roerige Georgië. Pas in 1994 was sprake van enig herstel, maar vorig jaar sloeg het noodlot weer toe met de financiële crisis in Rusland: opnieuw kwam de economie in een dal terecht.

Sinds het aantreden van Kotsjarian, begin vorig jaar, zijn ambitieuze hervormingsprogramma's ontvouwd. Maar de basis is te smal voor grote ambities: zolang de grenzen met de belangrijkste buurlanden gesloten blijven en export en import langs dure omwegen moeten worden afgewikkeld heeft Armenië weinig speelruimte. De Armeniërs zijn met een gemiddeld maandinkomen van nog geen 50 dollar straatarm en de buitenlandse schuld is opgelopen tot drie keer de waarde van de jaarlijkse export.

Het aanstaande akkoord met Azerbajdzjan kan daar verandering in brengen. Maar of het er komt is de vraag. In Azerbajdzjan heeft het compromis nog voor publicatie president Aliyev geconfronteerd met zijn eerste grote binnenlandse crisis en in Armenië zijn met Sarkisian en Demirtsjan de sleutelfiguren vermoord die in staat konden worden geacht het compromis aanvaard te krijgen.