Proces ex-leiders DDR: wraak of gerechtigheid?

Drie kopstukken uit de vroegere DDR staan weer voor de rechter – wegens de dood van vluchtelingen voor 1989.

De verantwoordelijke communisten uit de vroegere DDR staan er in Duitsland juridisch slechter voor dan de overgebleven nazi's die in 1952 terechtstonden. Dat zegt Egon Krenz (62), die Erich Honecker – vlak voor de val van Berlijnse Muur – afloste als leider van de DDR. Vandaag dient bij het gerechtshof in Leipzig de herziening van het vonnis tegen Krenz en twee andere leden van het toenmalige politburo.

Krenz werd in 1997 veroordeeld tot een straf van zes jaar en acht maanden omdat de Berlijnse rechtbank hem schuldig achtte aan de dood van zes Oost-Duitse vluchtelingen bij de Muur. Ook werd Krenz in twee andere gevallen schuldig geacht aan poging tot doodslag. De politburo-leden Günter Schabowski en Günther Kleiber kregen drie jaar wegens medeplichtigheid aan de dood van drie vluchtelingen.

Krenz heeft vrijspraak geëist; het Openbaar Ministerie wil juist dat de straf wordt verhoogd tot elf jaar. ,,Tien jaar na de val van Muur is de haat tegen ons ongekend, maar de Duitsers zouden gelukkig moeten zijn, dat de hereniging tot stand is gekomen zonder dat er één druppel bloed is gevloeid'', zegt Krenz. Zijn grootste zorg was het volgens hem in de nacht van de val van de Muur (9 november 1989) alles in het werk te stellen, opdat de wapens niet werden getrokken door de DDR-grenswachten of de politie.

Maar over de vreedzame afloop van die roerige novembernacht heeft niemand het meer, stelt Krenz bitter vast. In plaats daarvan vindt volgens hem nu een afrekening plaats over een stuk wereldgeschiedenis, dat wordt gereduceerd tot doodslag. ,,Maar ik heb de Koude Oorlog niet uitgevonden, net zomin als het IJzeren Gordijn of de Duitse deling.''

Egon Krenz was de laatste leider van de communistische partij, de SED. Van het politburo maakte hij al sinds 1983 deel uit.

In de herfst van 1989, toen er al duizenden Oost-Duitsers via Hongarije en Tsjechoslowakije naar het Westen waren gevlucht, deed Krenz vergeefse pogingen om Honecker tot hervormingen aan te sporen. Toen de druk van de demonstranten in Leipzig, Dresden en Berlijn op het regime steeds groter werd, werd de dogmatische Honecker op 18 oktober afgezet en opgevolgd door Krenz.

Zijn leiderschap was echter van korte duur. Het besluit van de top om vrij reizen mogelijk te maken, leidde op de avond van 9 november 1989 tot een bestorming van de grenzen, die een snelle val van de Muur tot gevolg had. Onder druk van de publieke opinie trad Krenz al begin december af. De beide Duitslanden werden op 3 oktober 1990 herenigd.

Vijf jaar later begon het proces tegen Krenz en de SED-functionarissen Günter Schabowski en Günther Kleiber. Formeel is er geen gerechtelijke basis voor een veroordeling, meent Krenz, omdat indertijd het DDR-recht gold en niet het recht van de Bondsrepubliek. Dat is neergelegd in een conventie voor de mensenrechten (1952), die ook in de Duitse grondwet is verwerkt: een daad mag slechts worden bestraft `als deze wettelijk strafbaar was voordat de daad werd begaan'. De Duitse justitie heeft bij de veroordeling van Krenz, Schabowski en Kleiber mogelijkheden gevonden om hun daden met terugwerkende kracht te veroordelen. Ze vindt dat ook Schreibtischtäter daders zijn, omdat zij de grenswacht opdracht gaven vluchtelingen neer te schieten. Veel gemakkelijker was het tal van grenswachtsoldaten, die daadwerkelijk hebben geschoten, te veroordelen. Dat heeft vele Oost-Duitsers verbitterd omdat de `kleine man' moet bloeden voor een regime dat zelf buiten schot bleef.

Krenz vindt de handelwijze van de Duitse justitie onacceptabel en wil desnoods doorprocederen tot het Europese Hof in Luxemburg. ,,Als de Bondsrepubliek deze processen werkelijk had gewild, had ze naar het Europese Hof moeten gaan,'' vindt Krenz. Nu is volgens hem een eigenaardige situatie ontstaan. ,,Oost-Duitsland levert de beklaagden en West-Duitsland de rechters en advocaten.'' Er is volgens Krenz ten minste sprake van `historische vooringenomenheid'. Op 8 november wordt de uitspraak verwacht.