Iran wat Europa betreft weer normaal

Het bezoek aan Frankrijk van de Iraanse president Khatami bezegelt in feite de normalisering van de Iraans-Europese betrekkingen.

Iran is wat Europa betreft voorlopig de speciale schurkenstatus kwijt die het sinds de Islamitische Revolutie van 1979 genoot. Dat is de betekenis van het bezoek dat hojatoleslam Mohammad Khatami vandaag als eerste Iraanse president sinds 1979 aan Frankrijk is begonnen. Dat is ook de reden waarom de versnipperde Iraanse oppositie in ballingschap dezer dagen zo eensgezind haar verzet tegen dit bezoek uitschreeuwt: wat zij aan invloed had in internationale regerende kringen raakt zij razendsnel kwijt.

De Islamitische Republiek, het land van de zwarte mullahs die de Britse schrijver Salman Rushdie ter dood veroordeelden, is na 20 jaar bijna een normaal land geworden (met de in het Midden-Oosten gebruikelijke schendingen van de rechten van de mens), en dat heeft zij voor een groot deel aan de persoon Khatami te danken. Zoals de meerderheid van de Iraniërs tweeëneenhalf jaar geleden collectief verliefd werd op deze ex-minister van Cultuur, zo werden de Europese regeringen de een na de ander verleid door diens herhaalde oproepen tot een dialoog tussen beschavingen en beloften van interne democratische hervormingen – daarbij natuurlijk wel aangemoedigd door hun eigen economische belangen.

Khatami heeft halverwege zijn ambtsperiode al heel wat scalpen verzameld in Europa:

Groot-Brittannië, dat in 1989 Europa aanvoerde in zijn woede tegen Iran over Rushdie, kondigde twee dagen geleden aan dat de ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen binnenkort voor het eerst sinds de Islamitische Revolutie bezoeken zullen uitwisselen. ,,We steunen zijn (Khatami's) regering en zijn hervormingsprogramma'', zei de Britse onderminister van Buitenlandse Zaken, Peter Hain, in Koeweit. Hij herhaalde dit gisteren voor alle zekerheid in Abu Dhabi.

Duitsland, Irans belangrijkste handelspartner ondanks de ruzie over de moord op vier Iraanse Koerden in Berlijn in 1992 en de veroordeling van het Iraanse leiderschap in 1993, nodigde Khatami in april uit voor een bezoek. Tien dagen geleden onderstreepte onderminister Frank-Walter Steinmeier dat dit bezoek een feit wordt zodra de zaak-Hofer is opgelost – de Duitse zakenman die in 1997 ter dood werd veroordeeld wegens illegale seks met een Iraanse studente. Deze maand is het doodvonnis omgezet in een boete, maar Hofer zit nog steeds gevangen, als speelbal van conservatieve groepen die Khatami het leven zuur maken. Volgens Steinmeier heeft Khatami ,,met moed en energie Iran in de wereldgemeenschap teruggebracht''.

Italië, Irans op een na grootste handelspartner, kreeg afgelopen jaar Khatami al op bezoek. Italië was daarmee het eerste West-Europese land dat een Iraanse leider ontving sinds de sjah 1979 uit Teheran werd verjaagd. Khatami sprak ook de paus, met wie de Islamitische Republiek overigens al lang goede relaties onderhoudt.

Oostenrijk werd het eerste land van de Europese Unie dat zijn president, Thomas Klestil, op officieel bezoek naar Teheran stuurde. Hij drukte daar zijn bezorgdheid uit over de situatie van de rechten van de mens, maar onderstreepte tegelijkertijd zijn verlangen naar goede betrekkingen, met name economische, met Iran.

Griekenland volgde dit voorbeeld twee weken later met een bezoek van president Kostis Stefanopoulos, die vroeg om versterking van de relaties tussen Iran en de EU ,,via Griekenland'' en tot grotere bilaterale handel.

Noorwegen, dat in 1997 nog opriep tot internationale sancties tegen Iran wegens de kwestie-Rushdie, normaliseerde in augustus zijn betrekkingen met de Islamitische Republiek. Vorige maand bezocht een onderminister van Buitenlandse Zaken Teheran, die de noodzaak van warme economische samenwerking onderstreepte.

Nederland doet niet mee. Minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen betitelde vorige maand in de Tweede Kamer de situatie in Iran als zorgwekkend en verklaarde dat een bezoek aan het land ,,op dit moment volstrekt niet opportuun'' is.

Goede betrekkingen met Europa zijn heel belangrijk voor Iran zolang de Verenigde Staten om intern-Iraanse en -Amerikaanse redenen niet als handelspartner beschikbaar zijn. Het grote olieland Iran is in zijn zelf-veroorzaakte isolement geleidelijk verkommerd, en het heeft grote behoefte aan Europese investeringen. Met alle middelen probeert Iran zich te verkopen: bij voorbeeld ook met een hele reeks tentoonstellingen van Perzische kunst die in verscheidene Europese steden aan de gang zijn. Vorige maand kwam de Iraanse overheid met een vijf pagina's tellende advertentiebijlage in de International Herald Tribune onder de kop `Perzische kunst: een dialoog tussen beschavingen'. De hoofdkop op de eerste pagina luidde: `Iran gebruikt zijn artistiek erfgoed om naar buiten te reiken'.

Een goede verhouding met Europa is dan ook nauwelijks omstreden in Iran, waar verder bijna alles door Khatami's machtige conservatieve tegenstanders wordt aangegrepen om zijn bewind te ondermijnen. Een officieel bezoek aan Parijs, inclusief de UNESCO, is dus in orde – maar de president moet verder zeer goed uitkijken bij wat hij doet, des temeer nu de machtsstrijd hoog is opgelaaid in de aanloop naar de verkiezingen in februari. De visite aan Frankrijk, Irans vierde handelspartner, kon in april niet doorgaan omdat wijn zou worden geschonken; dat kon Khatami zich niet permitteren tegenover zijn interne oppositie. De Iraanse pers viel dezer dagen al eensgezind heen over de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine. Deze heeft aangekondigd dat hij de gevangenhouding van 13 Iraanse joden wegens spionage – waarop de doodstraf staat - aan de orde zal stellen. Dit is bij uitstek een zaak die door de Iraanse conservatieven wordt gebruikt om Khatami in verlegenheid te brengen. ,,Zolang het gaat om vragen stellen en niet om inmenging in de interne aangelegenheden van een ander land, past dit in de aard van de diplomatie'', zei Védrines ambtgenoot Kharrazi gisteren. Maar de conservatieven, die Khatami vriendelijk hebben uitgezwaaid, volgen de ontwikkelingen van nabij.