Het dorp

Er is weer een trek van de stad naar het platteland. Weer, zeg ik, want de iets ouderen onder u zal het bekend voorkomen. Ook in de jaren zestig en zeventig trokken vooral gezinnen en masse uit de stad weg.

De Volkskrant bracht onlangs een reportage over jonge mensen die de grote stap naar de provincie waagden. De klassieke argumenten trokken in optocht voorbij. Goed voor de kinderen. Kunnen ze slootje springen en kikkers vangen. Gezonde lucht en rust voor de ouders. Iemand had het boek van Geert Mak over Jorwerd gelezen. ,,Ik wil ook een beetje dorpsig met mensen omgaan, ik zou wel lokaal actief willen zijn.'' Iemand anders had de geneugten van de Betuwe geproefd. ,,Dan zaten we 's avonds op een bankje voor het huis en dan groette je de mensen die langskwamen.''

Het kijken naar ringsteken blijkt ook opeens iets te zijn waar veel mensen in de grote stad jarenlang stiekem naar hebben verlangd. De stad, Amsterdam voorop, komt er heel slecht vanaf in deze verhalen. Geen ruimte voor de kinderen, slechte gemengde scholen.

Ik weet het niet. Deze week was ik even terug in het Groningse dorpje waar ik in de jaren zeventig vijf jaar gewoond heb. Het was er nog steeds prachtig en de buren waren als vanouds hartelijk en gastvrij, maar ik voelde desondanks geen enkel verlangen om in de schoot van deze omgeving terug te keren.

Sterker nog: ik vroeg me af of ik, als ik alles kon overdoen, opnieuw dezelfde keus zou maken. Ik geloof het niet. Vijf jaar was meer dan genoeg. Zolang de kinderen klein zijn, gaat het nog wel. Maar daarna willen ook zij meer van de grote wereld zien, en gelijk hebben ze. Dat wordt dus veel halen en brengen naar vrienden, sportwedstrijden en danspartijtjes.

Zelf kom je steeds minder de deur uit. Je wilt 's avonds naar de schouwburg of de bioscoop of een voetbalwedstrijd, maar hoe doe je dat? Je werkt in X. en je woont 25 kilometer verderop in Y. Ga je na je werk eerst naar Y. om dan twee uur later weer terug te keren voor het vertier in X.? Of blijf je over?

Geen enkele optie is gunstig en de volgende keer denk je: ik blijf lekker thuis. En je maakt maar weer eens een ommetje door het dorp, waarbij je opnieuw moet constateren dat sociale controle echt bestaat: kijk maar naar die gordijntjes die even bewegen als je door de doodstille straat loopt.

Nee, ik hoef niet meer. Ook dat tweede huisje in Noord-Frankrijk of Friesland – laat maar. Elke vrijdag weer jachten om er te komen, en na aankomst blijkt dat je alles vergeten bent wat het leven thuis veraangenaamt: van sigaren tot boeken. Je vrouw is er wel, maar die begint te zeuren dat het tuintje er erg onverzorgd bij ligt. ,,Daar moeten we morgen gauw iets aan doen.''

Geef mij maar de stad, de gore, stinkende, lawaaierige stad. Van café tot ziekenhuis: alles bij de hand. Ik slaap nu op zondagmorgen rustiger dan ooit, want er spelen geen kinderen meer op mijn stoep. Die zijn goddank naar het platteland vertrokken.